Rhythm of Life

meer Columns

 

Een krabbel in de kantlijn; Ontmoeting;Situatie; Verwondering......

Column

Hoewel er sinds de ontdekking van Stateneiland, in 1615, door Le Maire en Schouten veel is veranderd in de snelheid van berichtgeving, is het regelmatig uploaden van de website een onzeker avontuur. Af en toe is de regelmaat daarom ver is te zoeken.

 

Van Staal (Dordrecht, december 2011)

Een paar jaar geleden bij het inchecken op weg naar Buenos Aires werd ik uit de rij gehaald. De scanner wees op een teveel aan metaal rond mijn persoon. Na drie keer door het poortje heen en weer stappen en een uitgebreide publieke borstelbeurt met een soort grondradar voor terroristen werd ik overgedragen aan hoger hand. Zelfs met mijn zakken leeg, sloegen de meters nog steeds rood uit.

Het is een jaarlijks feest; met een overmaat aan laptops, laders en snoertjes checken we meestal in. Wijs geworden vul ik bij de scanner, op mijn gemak 4 of 5 bakjes vol handbagage inhoud. Kunnen ze op de scanner alvast mee kijken. Ik word er toch weer uitgehaald.

Eenmaal, bij de controle twee jaar geleden, overgedragen aan hogerhand, begon terwijl ik me tot de laatste draad moest uitkleden een uitvoerig gesprek. Zelfs tot op de laatste draad ontkleed kon ik geen verklaring geven voor de steeds weer oplichtende lampjes.

De zuidelijke oceaan lag voor ons voor de boeg; die lampjes, dat heb je blijkbaar met mannen van Staal.

Jaarlijks checkt mijn huisarts onze bloedwaarden. Zo ook dit jaar. Plots blijken bij ons beide de rode bloedlichaampjes wat ver geslonken; bijna onder de vrouwelijke waarde zelfs. Resultaat van bijna een jaar granen, bonen en slechts af en toe wat vlees of vis. Maanden zonder spinazie eisen hun tol. Ik ben een watje geworden.

Een Ijzerkuur is snel gevonden; een vervolg kuur voor de rest van het jaar ook. Met nog een week of 6 voor we weer terugvliegen zaak hier snel wat aan te doen.

Dat wordt wat straks bij het inchecken, ijzeren watjes. Voor de zekerheid haal ik mijn "Kaap Hoorn" ringetje maar uit mijn oor en trek schoon ondergoed aan.

Ik word er vast weer uitgepikt.      

 

Soms loopt het niet volgens plan… (Dordrecht, november 2011)

Nauwelijks in Nederland schreeuwt een blauw-geel Scandinavisch woonwarenhuis me al toe. “Wij doen niet moeilijk over ruilen”. Zoveel is er dus de afgelopen maanden nog niet veranderd in Europa. Bij het Scandinavische woonwarenhuis kan nog geruild worden.

Twee weken eerder liep ik door een grote outdoor-zaak in Whangarei. Ik weet niet wat ik zie. Op het bordje bij de kassa staat het duidelijk.
“Denk eerst goed na voor u beslist en koopt. Aan ruilen doen we niet”. Als ik  even later in andere winkels ben zie ik het zelfde bordje. Ruilen kan niet; soms, in een vlaag van klantgerichtheid, hooguit een tegoedbon.

Hierin zijn onze tegenvoeter toch echt anders. Klantvriendelijkheid tot bij de voordeur, althans als de kassa daar staat. Zo niet dan moet je de beslissing toch echt al eerder goed doordacht nemen; immers Leiden is in last als je, je nog bedenkt tussen kassa en voordeur.

Ik tref het met de Scandinavische weldoener. Als ik rond 10.00 het restaurant in loop staat er al een grote rij voor me; veel mede-europeanen, dat valt me wel op. Ontbijten voor 1 euro; alsof het voor niets is.
Als lid van de geelblauwe familie heb ik genoeg aan de gratis koffie. Met moeite vind ik nog een plaatsje in het restaurant; de ontbijters zitten er in grote getale al aan de maaltijd.

Een Europees ontbijt; het geelblauwe woonparadijs helpt bij de Europese kosten beheersing.Alleen “Ruilen” zullen ze wel niet willen doen.  Misschien hadden we allemaal toch eerst iets beter na moeten denken voor we de Europese “family”verder uitbreidden.

Gewoon op zijn Nieuw-Zeelands.

 

Gekke Opa (Alkmaar, november 2011)

Luid zingend loop ik over het bruggetje. Het is half zes in de avond; donker en vrieskoud. In de wandel wagen klein zoon Owen, meewerkend voorwerp van vandaag. Hoewel, meewerkend? Opa laat kleinzoon uit. Helemaal door dolle heen verstoort hij thuis het kookproces. “Ga maar lege flessen weg brengen met hem dan koelt hij wat af”.

Luid brabbelend en zingend zit hij in de wagen. Het donker en de kou doen hem niets. Als hij eenmaal de lege flessen heeft verzameld die we weg gaan brengen is hij niet meer te houden. Met schoenen en jas staat hij al klaar voor dit onverwachte uitje.

Nauwelijks twee weken geleden liep ik nog, in mijn zeilers/piraten outfit -UV bestendig mutsje “kaaphoorn”ringetje”in mijn oor- in Whangarei langs het speeltuintje vlak voor onze boot. Opa’s verdringen zich deze ochtend met hun kleinkinderen rond de speeltoestellen. Het kan ze niet gek genoeg gaan, die opa’s en hun “klein”kroost. Meewarig loop ik langs; niet mijn wereld.

Onze “springveer” een dagje uitlaten. De grootsuper, een oudere man stopt bij Owen en vraagt of hij met z’n opa op stap is; even later, Owen wijst ons alles aan wat hij kent en weet te vinden bij de supermarkt, op naar de kinderboerderij, een nieuwe explosie van energie volgt. Alleen de grote ganzen en pauwen maken hem even timide.

Zingend en hoppend met de kinderwagen deinen we over de brug. Bij de glasbak weet hij wat hem te doen staat. Eenmaal op de terugweg zit de pret er pas echt goed in. Luid brabbelend zet hij weer een liedje in; Opa valt bij.

Twee fietsers rijden voorbij. Je hoort ze denken: “Die man is gek”       

 

Gepaste afstand (Schiphol, november 2011)

Een reis van iets meer dan een dag; de halve wereld rond. Vroeg op de dag al, laten we ons naar het vliegveld brengen. De weg ernaar toe kronkelt zich lange tijd door het landschap. Northland is verrassend.

Als we even later opstijgen, zien we nog even het reliëf, de contouren, dan verdwijnt Nieuw Zeeland voor een paar maanden uitzicht.

Pas boven de Tasmanzee, zien we weer wat. De jaarlijks verder wijkende zee-engte; steeds verder duwen de Nieuw Zeelandse continent splinters zich weg van het Australisch moedercontinent.

Reizen in rust en kalmte, details observerend, verwonderend, soms verbijsterend, vinden onze weg.  Ethische vragen passeren; waar ligt de “winst” van mobieltjes, internet, televisie, voor landen die het al eeuwen zonder doen. Wie ben je om het ze te geven; wie ben je om te overwegen het juist niet te doen.

Vanuit een vliegtuig is alles anders. Tijd is als een nevel die onder je vervliegt. Oppervlakten, vol contrast en contour vervagen tot een pannenkoek. Af en toe glinstert een auto,  strekt zich een airstrip, meandert een rivier, althans zijn bedding.

Uren hangen we boven Australië, gravelrood, af en toe doorbroken door het bruin lint van de meanders, en heel kort, een diepblauw kratermeer.

Ooit meer dan 12.000 jaar geleden, de Timorzee was een moeras, ijstijden deden de zeespiegel dalen, vol sompige woestenij en glinsterende kreken, staken ze de Timorzee over. Ze kwamen van Nieuw Guinea, op weg naar Australië.

De Aboriginals, nauwelijks 10 kilometer van ze verwijderd lonk ik naar beneden, lonken naar de “Outback”; lonken vanuit de 21e eeuw naar de Midden Steentijd; beďnvloed door alcohol, verbeten trachtend de aansluiting te herwinnen.

Uren later, 3 continenten verder, begint de afdaling. Kom ik nog dichterbij de wereld onder me. In de verte de helverlichte oranje kassen; als een vuurtoren voor ruimte reizigers. In de nanacht bonkt het streng staccato van de banden, het roffelend asfalt. We zijn weer terug in de realiteit; terug thuis; terug in de twintigste eeuw.

 

Op een oud bed moet je het leren (Nederland, oktober 2010)

Nog nasluimerend, word ik wakker. In mijn hoofd zweeft een variant op een oud zeemans gezegde.

Nauwelijks terug van mijn wat uitgelopen ziekenhuisverblijf, word ik midden in de nacht opgeschrikt door een grote plas water in mijn bed. Als complicatie van de ingreep niet onlogisch, maar toch; het blijft schrikken zo om een uur of drie ’s nachts.

Een van de grote voordelen van ons huis in Nederland is ons waterbed. Zo houden we contact met de bewegingen waar we aangewend zijn. Deinend waan ik me bij het inslapen, als op een luchtbed dobberend in een mooie lagune bij een warm palmenstrand. Als ik midden in de nacht vochtig wakker word, is het tij duidelijk gekeerd. Met mijn hand voel ik om me heen. Er is nog een klein droog eilandje. Iets verderop klotst het water tegen de randen. We hebben een probleem dat is duidelijk. Met een grote sprong kom ik van mijn eilandje af. Al snel is helder wat er aan de hand is.

We tobben al een paar jaar met ons waterbed. Met wat fietsbandplakkers kunnen we de lekkage iedere keer weer even tot staan brengen; tot vannacht kennelijk. Uitgerekend vannacht ben ik definitief door mijn bed gezakt of eigenlijk beter; in het water gevallen.

We stommelen naar zolder en kruipen in ons logeerbed. Weken geleden hebben we op zolder een “logeerstek” gemaakt door de bedden waar ooit de dochters in huisden tegen elkaar aan te schuiven en zo een logeerstek te maken. Zeilvrienden uit de Chileense wateren zijn de eersten die ervan mogen genieten. We biechten eerlijk op dat het houten randje tussen de twee ongelijke bedden wat minder comfortabel is. Ze zijn op hun boot wel wat gewend denken we er wat ondeugend bij; dan maar even minder intiem.

Nu na ons nachtelijk ballet liggen we zelf in het logeerbed. Het houten randje zit de intimiteit wat in de weg. Maar ach, na het nachtelijk ongelukje, en vooral na 14 dagen ziekenhuisbed, kan die intimiteit ook nog wel even wachten.

De volgende morgen is de schade duidelijk. Aangetast door de tand des tijds, poreus geworden en verhard lijkt de patient reddeloos. Waar het water uit komt is niet duidelijk, maar dat het er uitkomt des te meer; hier helpt alleen nog dweilen.

Vervangen, plakken of maar even niets doen? Het houdt onze gedachten lang bezig. We besluiten het nieuwe bed nog maar even te laten wachten. Zo veroordelen we ons zelf tot langdurig logeren in het logeerbed; het houten randje zit iedere avond opnieuw in de weg.

Aan het begin van ons Nederlands verblijf strooiden we; onwetend van onze naderende watersnoodramp, grif met logeeruitnodigingen. Beschaamd zeggen we de logeergasten nu weer af. Slechts een schamel half waterbed; op zijn plaats gehouden door een luchtbed en aangevuld met een éénpersoonmatras kunnen we bieden. Niet iets waar je mee voor de dag kunt komen. 

Iedere veertien dagen gaan we even uit logeren; ook in de tussenliggende dagen nemen we de kans af en toe waar. Niets is heerlijker dan zo’n logeerpartij. Het logeerbed; de bedbank, wat het ook is. Heerlijk uitgeklapt en opengespreid staat het bed ons op te wachten. We vlijen ons er behaaglijk in en kunnen eindelijk weer eens samen zonder houten randje in slaap vallen.

Als we over een tijdje terug komen moet er toch maar weer een nieuwe watermatras komen. Kunnen we in ieder geval bij ons volgende verblijf ook thuis weer zonder houtenrandje in bed duiken. Hoewel duiken zelfs in een waterbed misschien wel wat gevaarlijk is. Zoveel hebben we van het houten randje in het oude logeerbed wel geleerd.

 

 

Pakjesweek (Nederland, oktober 2010)

Ring;Ring; Met gevaar voor eigen leven stort ik me van de trap af als de deurbel gaat. We hebben een briefje buiten hangen met het verzoek herhaald te bellen omdat de “ding/dong” nog wel eens hapert. Kennelijk een uitnodiging aan postbodes en pakjesbrengers om snel door te gaan en het pakje weer mee te nemen. Iets wat we nu net niet voor ogen hebben.

De laatste weken voor vertrek breken aan. Het resultaat van talloze boodschappenlijstje en internetbestellingen rolt in een niet aflatende stroom overal in de wereld van de band en vooral, een paar dagen later, bij ons door de brievenbus.

We vieren een beetje Sinterklaas deze dagen; de eerste pepernoten gaan over de toonbank; de eerste chocolade letters liggen al bij het grootwinkelbedrijf. ’ s Avonds bij de haard storten we ons op onze pakjes van die dag; een stukje banketstaaf in de mond; de chocoladeletter bij de hand. Met de gretigheid van kinderen grissen we het pakpapier eraf en dringen door tot de kern; net als vroeger slaan we in onze gulzigheid het gedicht maar over. Een factuur stimuleert nu eenmaal niet tot voorlezen. Met ingehouden adem slaan we gade wat er uit de overmaat aan piepschuimchips en bellletjesvulling naar boven komt.

Als we dan aan het eind van de dag naar bed gaan zijn we weer wat spullen rijker; een draadgeleidings veertje voor de naaimachine; een lager voor de windgenerator; een filter voor de watermaker. Met een zucht van verlichting kunnen we gaan slapen. Weer drie dingen van de lijst.

Straks in Chili loopt het fout met onze feestdagen; Sinterklaas kent men niet en zelfs de Paasdagen vieren we op de verkeerde plek. Het bezoek immers, aan Paaseiland staat gepland buiten de Paasdagen. Feestdagen in den vreemde heeft toch iets onnatuurlijks. Ooit vierden we Kerst in de adembenemende hitte van Senegal en Gambia, na eerst op de Kaap Verden de schaarse kerstversiering op te zien duiken tussen de Djembé en rastakapsels. Een jaar later redden we in Puerto Deseado net aan ons vege lijf, door in alle vroegte op kerstochtend, nadat de derde meerlijn ook met een luide knal knapt, los te gooien. Met brullende motor ploegen in we tegen de 55 knoop storm, varen ons vrij en planten de boot met een fraaie zwaai op de rivier die met 5 knoop onder ons door raast en ons mee naar buiten sleurt. Even later, snellen we met 12 knoop, slecht voortgedreven door de wind in ons kleinste “zeil”zakdoekje, de oceaan op. Het duurt even voor het wisse zweet is opgedroogd; we weer op adem zijn en de vredige rust van de kerst over ons daalt.

Hoe onze feestdagen er straks uit zien weten we nog niet. Reizen in het onbekende, betekent ook de verrassing kunnen koesteren. Zo hebben we toch nog iets om ons op te verheugen. Met ingehouden adem; het blijft spannend.    

 

Autootje (Nederland, september 2010)

Zffff, kleng, een dreun.
Langzaam doven onze koplampen. Slechts het geluid van rinkelend glas verstoort de stilte. Met de elegantie van een uit zijn krachten gegroeide kaasschaaf scheurt een Ford Galaxy de voorste tien centimeter van ons Peugeotje. Na honderd meter staat het monster stil; donker en zwart in de nacht; wij hoeven niet veel te doen om weer stil te staan. Nauwelijks wegrijdend na het op groen springen van het stoplicht zijn we na de kaasschaaf onze snelheid zo weer kwijt. Door rood gereden; leaseauto; eigenlijk maakt het niet veel uit. De kaasschaaf heeft onze trots aan diggelen doen gaan.

Zeilend door de wereld weten wij onze mobiliteit in Nederland verzekerd met de 11 jaar oude Peugeot. Een erfstuk nog; een karretje met een verhaal; een van de laatste lijnen naar de jeugd. Ooit bedoeld als laatste gebaar om de nabestaande ouder te laten blijven rijden; vanzelf verworden tot bijdrage in de bereikbaarheid van moeder en sinds ons vertrek, na gebruikt te zijn om de boot te bevoorraden,  verzekerd het in de tussenliggende maanden de mobiliteit van een van de dochters.

11 jaar oud; motorisch perfect; nauwelijks gereden. Het klinkt als de klassieke oplichtertruc met “de oude dame en de auto die altijd in de garage heeft gestaan”. Alleen aan dat laatste heeft het ontbroken; als een echte “vertrekkers”auto is zij gewend aan weer en wind. Bladeren, hagel, regen en wind, zelfs de koude temperaturen van de afgelopen winter, alles heeft haar geteisterd. Tot die zwoele vrijdagavond begin september, zo’n koud en kil einde maakte aan z’n trotse neusje.

Hoewel een genot om in te rijden; langzamerhand begon zelfs ik er aan te wennen dat schakelen uit den boze was; gaf het de weg opgaan toch een gevoel van balanceren op de rand van de richel. Ooit gleed ik tijdens het klimmen in de Stubaier Alpen uit op een steile gletscher en pendelde aan mijn touw – mijn zijden draadje-  de volle touwlengte naar beneden. Dat hachelijke gevoel van dat zijden draad je heb ik lang van me weg kunnen zetten; tot het opnieuw verzekeren van ons autootje ons dwong de dagwaarde onder ogen te zien. Ooit bij de invoering van de euro kelderde de waarde al eens met meer dan de helft; nu was het nog veel minder. Rijden werd rijden langs een zijden draadje. Schichtig blikkend of verkeer op tijd inhoudt; krachtig remmend als er weer iemand voor me duikt in de file. Het rijden werd nooit meer als met de “leasebak”, een tank die zich moeiteloos door het verkeer ploegde en die bijdroeg aan zorgenloze mobiliteit; de rapportage van de leasemaatschappij was een driemaandelijks feest als wederom de reparatiekosten; de brandstofkosten en het aantal niet verhaalbare schades weer belangrijk onder het gemiddelde bleken te liggen.

Op maandag brengen we ons autootje naar de “hersteller” . Mee terugnemen mogen we niet meer; het is niet verantwoord nog veilig te rijden; triest als van de 3995 millimeterlengte  en nog 3900 in prima staat zijn. We worden thuis afgezet; de boodschap is duidelijk de kosten van reparatie liggen boven de dagwaarde. De dagdroom ligt in duigen.

Dan komt de schadedokter met een recept.

Nauwelijks twee weken later nader ik voorzichtig onze ongelukskruising; voor de zekerheid nu maar van een andere kant. Als de lichten op groen springen trek ik op, voor de zekerheid maar niet meer in de late avond. Voor me ligt weer een weekend; een weekend zonder tweedehandsauto shows en dealer bezoek. In het late middaglicht glimt m’n motorkap. Metalic Blue; de kleur die met zoveel zorg in ’99 werd gekozen.  Het erfstuk is gered; onze mobiliteit weer verzekerd.

Alleen dat zijden draadje dat houden we wel. Immers iedere schamp is als een kras op de ziel en  vooral opnieuw een einde levensduur.

 

Natuurlijk (Nederland, september 2010)

Een colonne bulldozers en wegenbouwmachines verspert ons de weg. Nauwelijks een week terug in Nederland lopen we  12 maanden geleden aan tegen een natuurbouw project. Met visie wordt een bufferzone aangelegd tussen de Biesbosch en de verstedelijkte Drechtsteden.  Nu een jaar later zijn de eerste resultaten te zien. Dagelijks maken we een rondje op de fiets of lopen door de jonge natuur op nauwelijks 100 meter van ons huis. Met onze Chileense regenwoud ervaringen in het achterhoofd is de eerste aanblik vooral “gemaakt”.

Toch als je er door heen kijkt zie je ons “eigen” bos bruisen van het leven. Paden lopen kriskras door elkaar in akkerbouwgebied waar zo op het oog eens dringend gemaaid moet worden. De bankjes staan nog wat verloren in de leegte; de waterpartijen daarin tegen zitten al vol met vogels en insecten. “Geen Moeras-Geen Malaria” schreef ooit een boer op een spandoek. Op een avond duiken ineens drie reeën op. We halen opgelucht adem. De reeën zitten er al jaren; we kennen ze een beetje. Even hielden we ons hart vast toen vorig jaar al die goedbedoelde activiteiten uitmonden in lawaai, stank en mensen overlast. Ze zijn er weer; een mooi voorbeeld hoe natuur zich met wat hulp stabiel kan herstellen.

Midden jaren zeventig maakte ik eens een voorstel voor de herinrichting van het door een storm beschadigde bosgebied Koningsheide ten noorden van Arnhem. Een mooi en afwisselend gebied dat door een orkaanstorm in een uurtje werd omgetoverd in een triest kerkhof van boomresten; omhoogstekende stobben en omgeploegde paden. De grote winnaar was de “Amerikaanse Vogelkers” een stevige struikboom die zich in West Europa heeft vermeerderd als “een konijn in Australië”. Voor echt over de herinrichting van het gebied gedacht kon worden, moest eerst korte metten gemaakt worden met deze “bospest”. Met de hand vrijwel onmogelijk en onbetaalbaar, werd naar een efficiëntere oplossing gezocht. Deze was snel gevonden. Een middel waarmee in Amerika goede ervaringen waren opgedaan kon vanuit een vliegtuigje gesproeid, in korte tijd over het hele gebied worden verspreid. Een unicum in Europa noemde de Heidemij deze grootschalige toepassing. Zonder veel discussie werd de besproeiing met 2-4-5-T georganiseerd en ingepland voor begin juli.

Een bosbrand die, 7 juli 1976, een gebied van meer dan 600 hectare in de as legde,  gooide roet in het eten. Alles, met inbegrip van de vogelkers, schroeide tot op de bodem weg en de natuur had weer een lange weg van herstel te gaan.

De besproeiing was dat jaar niet meer nodig. Ook werd al snel duidelijk dat het wondermiddel (kleurloos en reukloos) toch ook minder goede ervaringen opleverde. De Vietnamese bevolking wordt nog dagelijkse geconfronteerd met de gigantische gezondheidsschade die veroorzaakt is door de grootschalige besproeiingen met de combinatie van 2,4,5 T en “zusje” 2,4 D, “Agent Orange”. Een paar jaar later wordt het middel internationaal verboden; Voor de Amerikaanse vogelkers is een andere oplossing gezocht; het herinrichtingvoorstel is herschreven en de niets-bewuste wandelaars op de Koningsheide zijn aan een ramp ontsnapt.

Het maken van natuur is een kunst; balancerend tussen recreatie en milieu moet een compromis gevonden worden (tussen?) aanleggen en laten gebeuren; tussen creëren en anticiperen. Soms schiet het ingrijpen –bijna- te ver door. Doorgaans is het resultaat, hoewel soms pas naar jaren zichtbaar, heel behoorlijk. Ooit toen we voor het eerst vanuit ons huis naar de Beneden Merwede fietsten –dochter in het stoeltje voor op de fiets; de ander in het stoeltje achterop- troffen we een kronkelende weg met aan beide kanten wat houtige sprietopslag. Nu bijna 30 jaar later staat er een fors bos waarin we ons gelukkig weten met een overmaat aan reeën, vogels en insecten. Opgenomen in een natuurlijke buffer, tussen de Biesbos en de stad, ligt het bos niet langer geďsoleerd. Nog een paar jaar en de nieuwe buffer gaat groeien; de sprietjes worden bomen; staat het bankje niet langer alleen. Nog een paar jaar en we kunnen er met onze kleinzoon gaan fietsen. Alleen dat fietsstoeltje; op mijn mountainbike past ie niet meer.

 

Tijdbom (Nederland, september 2010),

Strompelend bereik ik over de trap de brancard. Gelukkig maar, via het slaapkamerraam naar buiten, de ambulance in worden getakeld, is ook weer zoiets. In de late avonduren dropt de ambulance me op de spoedeisende hulp. Daar wordt de urgente ingreep van de spoedarts thuis verder vervolmaakt. Nauwelijks drie uur na schuimbekkend, schokkend en rillend naast mijn bed plat te zijn gegaan lig ik weer in een ziekenhuisbed. Het derde in minder dan een week. Volgehangen met infusen en antibioticastromen ga ik de nacht in. De “rillende” bom is tot stilstand gebracht; de tegenaanval is ingezet.

Een week later mag ik weer naar huis. Een goede conditie en een zak vol antibiotica moeten er voor zorgen dat de rest van het herstel ook thuis de goede kant uit blijft gaan. Als ik vier dagen na thuiskomst de post open maak vind ik nog een nieuw recept; weer een nieuwe kuur, kennelijk is de bacteriële infectie in mijn bloed en de reeks aan infecties in mijn hele “urinesysteem” slechts met een overmacht aan antibiotica te bestrijden.

Thuis lezen en surfend over internet kom ik de kwestie van de failliete zalmkwekerijen in Zuid Chili weer tegen. Een nieuwe tijdbom tikt. In de laatste weken van onze tocht door Patagonie kwamen we ze al tegen; honderden viskwekerijen; het merendeel gesloten en failliet. Ooit zag Chili het spartelend zalmroze goud als een welkome mogelijkheid vooruit te komen in de vaart der volkeren. Blind voor de gevaren werd een aantal jaren gelden, met buitenlandse steun ( Nutreco en anderen), een ketting van zalmkwekerijen gerealiseerd. Uit heel Chili trokken gelukzoekers naar de zalmroze goudaders; nu, maar een paar jaar later, zijn de kwekerijen vrijwel allemaal verlaten. In de straten van Puerto Montt is de werkloosheid hoog. Talloze gelukszoekers van weleer, merendeels indianen, wachten; ze wachten op een opleving van de zalmroze industrie. Een overmaat aan kwekerijen, onderlinge ziekte uitwisseling en vooral heel veel antibiotica die samen met het visvoer in het Chileense water terecht is gekomen maakt dat het leven in en rond de kwekerijen grotendeels is verdwenen.

Nog onder de toenmalige president Pinochet zijn concessies uitgegeven; wederom aan de buitenlandse investeerders; nu voor een reeks aan viskwekerijen in nog zuidelijker wateren. Een kaart toont een duizend concessies bij Puerto Natales en rondom de Straat van Magelaan.  De jacht op het zalmroze goud krijgt een vervolg. De arbeid is beschikbaar; de economische impuls is dringend nodig. De omgeving is al bekend met ziektes in de schaaldierkweek; het eten van een beperkte hoeveelheid van de met “”Marea Roja”geďnfecteerde mosselen leidt binnen drie minuten tot een acute ademstilstand; de kans is groot dat ook hier weer een ecologische ramp gaat ontstaan als de intensieve visteelt noopt tot een overmaat aan antibiotica.

De tijdbom tikt door in de Chileense wateren. Onduidelijk is wat het effect op lange termijn zal zijn van al die antibiotica in het kwetsbare ecosysteem.

 In mijn aderen stroomt nog steeds de antibiotica; dood en verderf om zich heen zaaiend. Met een dag of tien zijn mijn kuren afgelopen; kan mijn eigen afweer het weer overnemen. In de Chileense wateren zal de antibiotica nog heel lang dood en verderf zaaien; hier minder gewenst. De bom tikt door, het zal nog lang duren voor ze is stilgezet, de natuur zijn eigen afweer verzorgt en het natuurlijk evenwicht in deze Zuid Amerikaanse long weer is hersteld.

 

Onderhoud en garantie (Nederland, september 2010)

Kleng; Weer een nieuwe zak water aan mijn infuusstandaard. Een verse stoot vloeistof zoekt prikkelend zijn weg. Ik ben gelijk weer wakker. De nacht is brak; kort en ongemakkelijk. Ik probeer nog wat te slapen; reparatie en onderhoud vraagt wat aanpassing.

Onze Chileense winterperiode in Puerto Montt en ons verblijf in Nederland staan in het teken van reparatie, onderhoud en garantie. Tussen de regenbuien door brengen we de reparaties in kaart; verbeteren we de isolatie van de boot en vervangen de olie in de verschillende apparaten. Dubbelgevouwen achter en onder de motor breng ik als slangmens zelfs het verwisselen van de motorolie en filters van onze trouwe Volvo tot een goed einde. Een tijd geleden riep de vader van een van de “zeiljongens” in de pers dat zijn zoon pas de wereld rond mocht als hij zijn motor geblinddoekt in elkaar kon zetten. Bij ons had hij leuk kunnen oefenen. Het verwisselen van het oliefilter is door de te krappe inbouw een waar kunststukje, dat om de hoek, buiten zicht en met de vingertoppen geklaard moet worden. Vanuit een andere hoek worden de instructies gegeven. Ons succes is af te meten aan de mate waarin we de olielekkage kunnen beperken.

Diep in de Chileense scheren laat onze satelliettelefoon het afweten. Zelf repareren van de “aan/uit”knop van ons troeteldier lukt niet. Pas als we vier maanden later in Nederland zijn kunnen we hem wegbrengen.  Opsturen naar de VS luidt het advies. Een elektronicagigant uit Rotterdam geeft aan zelf te repareren. We leveren hem af en betalen braaf de 40 euro onderzoekskosten. De afspraak is dat als de kosten hoger oplopen dan een bepaald bedrag er met ons zal worden overlegd. Na 10 dagen ligt er een brief op de deurmat. We dienen het toestel onmiddellijk op te halen anders wordt het vernietigd. Navraag leert dat het toestel voor reparatie naar de VS moet en het bedrijf oordeelt dat, afgezet tegen de prijs van een nieuwe mobiele telefoon het zinloos is te repareren.

Heh? We hebben toch geen mobiele telefoon ter reparatie aan geboden? Zelfs het los leveren van een vervangend toetsenbordje blijkt onmogelijk. Te veel moeite. Gelukkig levert een contact met een bedrijf in de lichtstad meer zicht op succes. We wachten maar even af.

Repareren, onderhoud, garantie. Het blijft lastig zover van onze veilige thuisbasis in Nederland. In Chili, maar zeker ook in de Pacific ontbreekt het aan bedrijven met voldoende materialen en kennis van zaken. Alles wat we nu doen moet het uithouden tot in Australië/Nieuw Zeeland. De lange lijst met onderdelen en reserves die we weer mee terug willen nemen wordt langzaam kleiner. Zelfs voor de buitenlaag van onze hypalon bijboot gloort nog hoop. Met een professionele reeks flessen en busjes moeten we zijn oplossende huidje weer kunnen herstellen.

De lijst service klussen aan boot, apparatuur en bemanning is te overzien. Geleidelijk kunnen we steeds meer af strepen. Na een nachtje thuis moet ik tot twee keer toe toch weer terug naar die infuusstandaard. Tien nachtjes dit keer; Garantie?

douane

Welkom (Nederland, augustus 2010)

Brrr; het is koud en nat in de wachtrij bij de Chileense grens. Een halfuur alweer staan we in de regen te wachten. We willen eigenlijk de bus wel weer in.  Alhoewel; wachten zijn we gewend. Het is een illusie te denken dat het bezoek aan de autoriteiten in Zuid-Amerika met een enkele doorwenkende handbeweging wordt beslecht.

Een paar weken voor vertrek naar Nederland moeten we ons drie maandsvisum weer verversen. We nemen de bus naar Bariloche en ondergaan de hele Chili “uit” & Argentinië “in” procedure. Twee dagen reizen we terug. Stapvoets; soms zelfs letterlijk; ondergaan we de grensprocedure. Net als bij de binnenkomst moeten we langs “immigratie”; “voedsel en waren” en “douane”. De koffers en tassen verdwijnen meteen ook weer door de scanner. Als laatste mogen we zelf ook de handbagage nog door de scanner doen; de bus wordt doorzocht op “vergeten” etenswaren; de hasjhond snuffelt de bagageruimte door. Pas als alle autoriteiten er werkelijk heel erg zeker van zijn dat er geen bezwaar is tegen onze terugkomst, en we ook geen etenswaren, toeristische snuisterijen en andere verboden zaken meer bij ons hebben, mogen we verder reizen.

Reizend door Zuid Amerika raak je er vanzelf aan gewend. Wachtrijen; loketten; formulieren en stempels; vooral heel veel stempels. Tijden brengen we door, lijdzaam wachtend, terwijl de verantwoordelijke beambte zijn formulier typt en de noodzakelijke informatie weer eens in zijn niet -gekoppelde systeem stopt. Na een aantal uren zijn we een instantie en vergunning verder. Een regelmatige oefening in het onthaasten, zullen we maar zeggen. Het hoort er bij en is nauwelijks weg te denken op het Zuid Amerikaans continent.

Ooit hoorden we het verhaal van iemand die “s avonds nog maar eens terug moest komen. Met nadruk moest hij bij “die” specifieke ambtenaar aan het bureau verschijnen. Hij is er gewoon stoďcijns gaan zitten. Toen er na meer dan twee uur nog steeds geen “extra” geste op tafel was verschenen wilde de beambte kennelijk naar huis. In vijf minuten tijd waren ineens alle belemmeringen verdwenen.

Het kan nog bonter; soms is het ambtelijk proces alleen te versoepelen met een vleugje vrouwelijke sensualiteit. Christien ging eens samen met een lokale vriendin; elders in Zuid Amerika, een vergunning vragen voor het hellingen van de boot; na een aanvankelijke stroeve start bij twee vrouwelijke beambten ging het toestemmingsproces ineens van een leien dakje toen een van de heren het overnam. Bij vertrek krijgen de dames zijn telefoonnummer in hun hand gedrukt; voor als hij nog eens een dienst kan bewijzen.

Het is even wennen; Zuid Amerikaanse procedures.

Een maand na onze visumverversing landen we op Schiphol. Al na tien minuten kunnen we onze 90 kilo bagage van de band halen en lopen we het land in. Een douanier wuift ons met een enkel hand gebaar door.

Een wereld van verschil; zo’n welkom.        

 

Reizigers... (Nederland, september 2009)

Plok, een sprinkhaan landt op de voorruit van de auto. Dit keer geen dodelijk ongeval. Met moeite houdt hij zich staande. Moedig en stoer? Of onbezonnen? We rijden op een van de mooiste dagen van het jaar door het land. Het is weekend. Natuurlijk weer de nodige omleidingen. Met negentig snellen we door de zandvlaktes van de A2. Onze lifter blijft heldhaftig staan. Wind en zand lijken hem niet te hinderen.  Precies voor mijn ogen doet hij allerlei pogingen om met vier zuignapvoeten in de straffe wind in balans te blijven. Hij rijdt met ons mee.

Wie ver reist moet met z’n ogen knipperen. In korte tijd zien we alle uithoeken van het land. De wegenbouwputten wisselen elkaar af. Omleidingen, nieuwe wegen.  Het land lijkt nieuw. Af en toe verdwalen we tussen de afritten en onderdoorgangen. Na wat zoeken komen we er weer uit.  Het lijkt alsof we in de weken van ons verblijf iedereen weer eens willen zien en overal geweest willen zijn. Contacten worden aangehaald en nieuwe afspraken gemaakt.

Ook thuis treffen we de nodige zeilvrienden. De TomTom brengt ze keurig in de buurt. Dan faalt het systeem echter. Christien pikt regelmatig bezoekers ergens in de wijk op die er met hun navigator niet uitkomen. Alleen zeilvrienden die met een kaartprintje of stratenboek navigeren vinden ons meteen.

We baden ons in de weelde van de gezelligheid en vergeten regelmatig de tijd. Als we zelf weer eens rijden raken we de weg kwijt; dit ondanks gevoel voor richting, wegenkaart en stratenboek. Misschien moeten we dan toch ooit nog eens aan de autonavigator.
Na het winterse Buenos Aires is zomers Nederland een weldaad. Nog in de stijl van de Argentijnse winter schenken we op de warmste dag onze gastvrouw een flesje Gluhwein; Zelfs de koelbox is niet in staat de wijn in de auto op een lagere temperatuur te houden.   

Aan het eind van onze rit door de zandbakken van de A2 verlaat de sprinkhaan ons weer. Het is een reiziger. Hij kiest zijn eigen weg; zijn eigen route en vrijheid. Instinctief en verantwoord. Met z’n navigatie zit het goed. Hij zal wel vertrouwd zijn met een GPS; of heeft hij de kaart gewoon goed in z’n hoofd?

En onze zeilende bezoekers? Die geven we volgende keer gewoon een kaartprintje of de geografische positie. Waarschijnlijk zijn ze daar meer mee vertrouwd dan met een ingeblikte stem in hun navigator.       

 

Ingepakt…..(Nederland, september 2009)

Tring; Tring….. Het is nog steeds zomer. Na een jaar afwezigheid is onze deurbel niet meer in goede conditie. Boven de bel zit een briefje “Bel stoort; vaak en stevig bellen! Voor de deur een man met een pakje. Niet de eerste keer deze week. Bij de Post, TNT, UPS en DHL weten ze inmiddels weer dat we even thuis zijn. Boven aan ons lijstje voor de komende weken staat het verzamelen van een flinke portie reserve onderdelen. Vaak zijn het zulke “flut”porties dat het niet loont om er voor te rijden. “Laten bezorgen dan maar” is geregeld de oplossing. Naast wat “O”ringen of een lagertje zit het pakket vol met styropor”chips”, belletjes folie of opgeblazen stootkussentjes. We ontvangen vooral veel gebakken lucht in onze pakketjes. 

Reizend langs de Afrikaanse westkust valt ons in 2008 de wolk van plastic boodschappentasjes op. Het lijkt soms wel of de eerste stap in de Opstuwing van een natie in de Vaart der Volkeren bestaat uit het te pas en te onpas verschaffen van plastic boodschappentasjes. Tasjes die na gebruik op de vuilnishoop belanden en vandaar uit met wolk van honderden gekleurde soortgenoten beginnen aan een geheel eigen reis over de vlaktes van het continent. Regelmatig vallen er tijdens de reis, ook weer tasjes uit de wolk; Neergedwarreld blijven ze, geplakt door de straffe wind, achter in bomen, struiken en hekken. Het troosteloze beeld van een land in ontwikkeling dat nog worstelt met z’n afvalplastic. Op de Kaap Verden is het anders. Is het een kenmerk van een nog prillere ontwikkelingsstatus? Of is er juist al een stap verder over na gedacht? Op de Kaap Verden krijgen we geen plastic boodschappen tasje maar moet je het juist mee brengen. De eerste keer op de markt staan we met een grote druipende, nog wat bloederige moot tonijn in ons handen; zonder plastic tasje; dat wel. Goede stimulans om voortaan een zakje mee te nemen.  

Vermijdbaar en onvermijdbaar afval. Het blijft een sport om zo min mogelijk afval aan boord te brengen; plastic/karton; waar we later weer mee in ons maag zitten. Plastic boodschappen tasjes worden langdurig hergebruikt en eindigen meestal als vuilniszakje. Aan boord lukt het ons goed, maar éénmaal voet op vaste wal in Nederland gaat het helemaal mis met ons. Onze container puilt bijna uit van de plasticbelletjes, styropor chips en luchtkussentjes. Uit de papiercontainer puilt het karton.  Die is ondanks de NEEN/NEEN sticker op de brievenbus inmiddels ook al vol.
Volgende keer vragen we of ze de lagertjes en “O”ringen in een enveloppe willen stoppen. 
Het wordt toch tijd om eens kritisch naar al dat karton en verpakkingsplastic te kijken.

Eén voordeel heeft de zomer wel. Bij gebrek aan herfst waait het plastic en karton nog niet als een niet te temmen wolk rond in afwachting van een stranding tegen een boom, een struik of een hek.                

 

Kind kan de was doen….(Nederland, september 2009

Is dat niet een beetje overdreven? We staan met iemand te praten over onze voorbereidingen voor het volgende traject. Warmte kleding; Yoghurtbacterďen? Dikke laarzen; je kunt het zo gek niet bedenken of we nemen het mee. Vooral de laatste dagen merken we in de gesprekken dat we wat meewarig aangekeken worden. Alsof we een soort wannabee woudlopers zijn die in de tuin de lucifers afslaan en de barbecue alleen met een vuursteen willen aanmaken.

De eerste dagen na onze tijdelijke terugkeer uit Argentinië hadden we nog een “ontdekkingsreizigersgevoel”, met veel “wooh!”en “ik moet er niet aandenken..”  bij onze gesprekspartners.

De laatste week is dat anders. Sinds Laura op televisie is verschenen lijkt het wereld omzeilen niet zo spannend meer. Afhankelijk van de poll die je leest laat 25% -35% van de mensen zelfs z’n eigen kinderen nog de wereld rondzeilen. Van “spannend en avontuurlijk” lijkt de stemming verschoven te zijn naar “karaktervormend”. Riepen we eerst nog dat 13 meter boot op de oceaan wel erg klein is; nu worden we wat mee warrig aangekeken als we reppen dat 13 meter klein is, immers als het met een 8 meter lange “Gup” kan, dan is 13 meter gewoon een comfortcontainer. Het is bijna of Kaap Hoorn net zo iets is als Kamperduin.

Het is het gesprek van de dag. Als “vers ingevlogen” wereldzeilers vraagt iedereen wat we van Laura’s plannen vinden. Gelukkig voor haar ontstaat er even een pauze. Kan zij zich voorbereiden op het vervolg.

En wij? Wij gaan verder. We pakken de boodschappenlijstjes weer bij de hand en gaan gewoon door met de verdere voorbereidingen. Je weet immers maar nooit hoe koud het zal zijn; hoe woest de zee; en hoe ver de supermarkt.

Voor ons is Kaap Hoorn toch niet het zelfde als Kamperduin.

Kind kan de was doen…

 

U bent verbonden met…. (Nederland, augustus 2009)

We hebben weer een stralende zomerdag. “Dit gesprek kost 45 cent per minuut, plus de kosten van uw mobiele telefoon…” daarna volgt er een langdurige uitleg en wordt in het langzame dicteetempo van de juffrouw op de lagere school een reeks keuze mogelijkheden opgesomd die je hebt met de toetsen van je mobieltje. De tijd tikt door. Weer 45 cent zonder dat je er zelfs maar iets tegen in kunt brengen. Dan plots is het raak. Een echte stem die ons vertelt  dat we bij een landelijke telecom leverancier zijn aanbeland die bekend is van de “appelgroene telefooncellen”.
Na drie weken irritatie over de matige kwaliteit van onze televisie aansluiting willen we het abonnement weer opzeggen.
Eerst begint de man zich af te vragen of we het werkelijk wel willen om daarop volgend als Christien boos wordt -de klok tikt door- onmiddellijk de daad bij het woord te voegen en ons per onmiddellijk af te sluiten. Weer boosheid. We willen pas na het weekend de doos met de Digitale Antenne terug sturen. We zijn dan 3,5 week abonnee en vallen nog ruim binnen de marge van “4 weken; niet goed geld terug”. Hij verrast ons met een langdurige vragen lijst die we met hem door moeten nemen alvorens we onze “retour”code krijgen. Alsof hij het formulier met de hand invult op z’n Remmington. De tijd tikt door. Na een minuut of vijftien is hij klaar. 15 maal 45 cent; 6,75 euro. Bijna de kosten van een abonnementsmaand. Mooi weer verdient. 

We hebben eigenlijk geluk, dat “groene telefooncellen” bedrijf  kunnen we nog bellen. Met een andere leverancier is helemaal geen contact mogelijk. Alleen als je een computer bij ze besteld. Onder de email met de orderbevestiging staat dat de reply mail niet wordt ontvangen.  Op de email die we na 3 dagen krijgen,  -“gegarandeerd binnen drie dagen in huis” staat op de site-,  krijgen we te horen dat de bestelling eind augustus komt. Een paar dagen later worden we verrast met de melding, weer een mailtje, dat we de 24e tussen 09.00 en 17.00 ons pakket in ontvangst mogen nemen. We worden verzocht om vooral thuis te blijven. Dat is niet voor dovemans oren. We plannen dus meteen een vrije dag, testen de deurbel en doen er alles aan om UPS vooral niet mis te lopen. Helaas zitten het er die dag niet in. We nemen de volgende dag er maar weer vrij voor; en omdat het zo goed bevalt doen we het de dag erop maar weer. Helaas. Geen pakketje. Teneinde raad mailen we de klantenservice maar met de vraag of het goed is dat we morgen even wat te eten gaan halen; van al dat wachten wordt je zo hongerig.
We krijgen een mail, de 27e, dat er echt geleverd zal worden de 24e. Huh….????. Van al dat reizen raakt je kalender in de war. Dat wel. 

De communicatie in Zuid Amerika kenmerkt zich door “manăna”; “m’n collega komt zo” en “er ruim de tijd voor nemen”.  Net terug uit Buenos Aires zijn we veel gewend maar het lijkt erop dat bedrijven die “zonnesteekweken” en “zomerkortingen” beloven, met de riante temperaturen van dit moment,  meteen ook maar wat andere Zuid Amerikaanse gebruiken hebben overgenomen.  

       

Keileweg (Nederland, augustus 2009)

Weet je de Keileweg te vinden? Roept Christien door het huis. Het is hoogzomer en alle ramen van het huis staan open. Enthousiast roep ik”; ja, ik had daar een klant..!! Meteen bedenk ik me dat mijn enthousiaste Jah!! wel wat bedenkelijk is. Aan een man die jarenlang in Rotterdam heeft gewerkt vragen waar de Keileweg is en dan ook nog horen dat hij er een klant had, is weinig “relaxt”. 

Meteen na thuiskomst storten we ons in de huisklussen. Tijdens onze afwezigheid is de cv flink gaan lekken. Toen bijvullen niet meer hielp hebben onze huisbewakers hem maar uitgezet. Het eerste lek is snel gevonden. Wat een lekkende koppeling lijkt blijkt even later, na het aandraaien van de koppeling,  een doorgeroeste buis die precies waar die door het plafond steekt afbreekt. Daar sta je dan op zondagmiddag. Een paar uur later is het probleem opgelost. Met hulp van een “echte”cv monteur en nog wat koppelingentjes en verwarmingspijp die we in huis hebben maken we een mooie bypass. Probleem opgelost; we hebben weer warm water!

 Lekkage twee is lastiger. Een ingewikkeld onderdeel met slangen en koppelingen is van binnen door gaan roesten. Ons orakel “Google” geeft de oplossing; een leverancier in Rotterdam. Al skypend spreekt Christien af dat we het onderdeel op komen halen. Of  we de Keileweg  kunnen vinden? De dame aan de telefoon gniffelt hoorbaar van ons gesprek. 

Na een halve dag sleutelen zit alles weer in elkaar. Ook de lekkage, daar ging het uiteindelijk om, is gestopt. Een uur later is na wat demontagewerk ook de voorraad reserve onderdelen weer uitgebreid. Alleen de oude cv pomp is niet los te krijgen. De moer is te groot. Jaren geleden heeft de vader van Christien onze cv-pomp vervangen. Stad en land heeft hij afgebeld voor hij ergens een voldoende grote sleutel kon lenen. Als ik de pomp los wil maken weet ik wat me te doen staat.   

De klussen in huis rijgen zich aan elkaar. Zelfs de dochters hebben wat voor ons bewaart. Misschien moeten we onze tijd toch wat anders gaan plannen. Kortom iets anders gaan doen dan klussen terwijl we in Nederland zijn. Iets meer relaxt dus; en niet meer naar de Keileweg.

 


Op deze pagina rust auteursrecht; gebruik van delen alleen na toestemming van de auteur.

op 20-10-2012 bijgewerkt