Rhythm of Life

meer Columns

 

Een krabbel in de kantlijn; Ontmoeting;Situatie; Verwondering......

Column

Hoewel er sinds de ontdekking van Stateneiland, in 1615, door Le Maire en Schouten veel is veranderd in de snelheid van berichtgeving, is het regelmatig uploaden van de website een onzeker avontuur. Af en toe is de regelmaat daarom ver is te zoeken.

 

Maasvlakte, Nongsa Point, Batam, Indonesië, augustus 2012

Dagen brengen we door in een kleine baai; het water stroomt hard. Het getij tussen de naast liggende zeearmen wordt voortdurend gecompenseerd. Vier keer per dag maken we een ommezwaai. Dan weer gezicht op de baai, dan weer kijken we over de zeearm naar de overkant.

Om ons de ondieptes, al eeuwen jachtgrond voor de vissers rond de baai. Visvallen, ingenieus vervaardigd van netten en stokken, een fuik voor de zeebewoners; argeloos erin, nooit meer eruit.

Tweemaal daags roeien ze langs, vroeg in de ochtend, de vissers in hun roeiboot op weg naar hun netten; Aziatische aanpak, we zagen het eerder al in Vietnam. Staand roeien met het gezicht, voorwaarts; het zijn net gondeliers. De baai is verstild, tussen de paalwoningen lijkt de tijd al eeuwen stil te staan.

Dan draait het tij. In de avondschemer branden, flitsen, pulseren honderden lichten. Fel, rood, strak groen en vooral flitsend wit. Als we ons ankerlichten drijven we er heen, steeds sneller pikt de stroom ons op; als of zelfs het getij hier economisch wordt bepaald, sneller, doelmatiger en vooral groots. Singapore breidt uit, zelfs over de grens. Uren drijven we langs containerterminals, haventerreinen, scheepswerven en opslag loodsen. Alles nog fonkel nieuw, nauwelijks een paar jaar in gebruik. Het beton moet nog harden als de eerste LCC’s alweer aan leggen. Betonmolens wisselen af met hijstellingen en bouwkranen; honderden aan de horizon. Dit is de wereld van de baggeraars, de kraandrijvers, de verladers, de ferryterminals en carriers; de wereld van het geld.

Tussen al dit scheepvaart en havengeweld, roeien ze verder; de visser die zijn kinderen aan de overkant afzet; gaan ze naar school? De twee vissers die hun net voortslepen; staand roeiend, maar net voldoende om op hun plaats te drijven op de stroom. Het is als muizen die rondhollen in het olifanten verblijf; wonderwel slagen ze erin de overkant te bereiken; voor de baggermolen langs te gaan.

Twee werelden ontmoeten elkaar, zijn tegenover elkaar gegroeid. De eeuwen oude paalwoningen, de vissers met hun punthoed bij de visval, hun ongemotoriseerde boot; de woonkazernes van allen die in de haven werken, de kranen, kades en de oranje veiligheidshesjes en dito knipperlicht.

Ooit moet de maasvlakte er zo uitgezien hebben; op de voorgrond natuurgebied, De Beer, de duinen van Rockanje, de slikken van Oostvoorne; op de achtergrond het oprukkend industrie geweld van zandopspuiting, container overslag en gasterminal.

Co-existentie, dat wel; maar vreedzaam? Vol contrast in ieder geval.

 

Zandbak, Tandjung Pradar/ Belitung, augustus 2012

In mijn gesimplificeerde benadering van het spelende kind, in een poging ordening aan te brengen, onderscheid ik twee soorten kinderen. Kinderen die met een harkje de zandbak glad zullen willen trekken en kinderen die in no time eeen zandbak zullen verbouwen tot een waar slagveld vol heuvels en dalen; een model tankbaan na een slag in de woestijn.

Vermoedelijk behoorde ik ooit tot dat laatste slag kind. Toen een van onze dochters de gezegende leeftijd van 1 jaar bereikte en ik in haar slagroom taartje eventjes het enige voetje van het enige kaarsje uit het oog verloren had heb ik het volledige taartje gesloopt, gesondeerd en uit elkaar gesneden tot ik het vermiste kaarsvoetje terug gevonden had. Het slagveld op haar bordje smaakte haar niet minder; haar ervaring met haar vader had evenwel een nieuwe dimensie gekregen.

Soms gaat het toch ook mij te ver. Het slagveld dat we in onze omgeving weten aan te richten.

Maanden geleden zag ik een presentatie van één van de vooraanstaande Franse mijnbouw bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de winning van nikkel in Nieuw Caledonie; in dagbouw. Van de 15 minuten die de film duurde gingen de laatste 5 minuten over de in en outs van de winning zelf. De eerste 10 minuten waren volledig gevuld met het herstel van het landschap. Hoe er werd rechtgetrokken, leefbare grond werd teruggebracht, beplant en besproeid. Wat overdreven moet ik zeggen,  tot ik een na een week of wat de resultaten van de dagbouw met eigen ogen kon aanschouwen. Een dikke waterige, bruinrode pap stroomde van de “dagbouw”mijn zo het water in. Een gigantische omgewoelde kale roodbruine zandbak bleef achter. Gelukkig werd iets verderop het  landschapsherstel al opgepakt.

We rijden een dag door de binnenlanden van Belitung, daar waar ooit “onze Biliton” zijn opmars begon. Het landschap is vlak, geen berg te bekennen. Plotseling rijden we een woestijn binnen. Het is alsof een heel groot kind met nog veel grotere auto’tjes en tanks heeft mogen rondrijden en de schade er niet toe deed. Een echt Caterpillar landschap, die felgele futorische “Discovery Channel” voertuigen,  een landschap van Toy for Boys en van “KAN MIJ WAT SCHELEN!”.

Het zal nog wel langduren voor de Indonesische overheid de kinderen terugroept om op te ruimen. Om de boel weer recht te trekken en te beplanten, de volgelopen putten te sluiten en te ontdoen van hun giftige vocht.

Dichtbij Tandung Pradan is een kunstmatige meer aangelegd; een speelvijver met vissteigers, terrasjes en waterfietszwanen. Zekunnen het dus wel, dat landschaps herstel; maar of het mijnbouwbedrijf dit heeft gedaan? Ik neem de hand van de overheid aan; bezig Belitung op de kaart te zetten als toeristen gebied.   

 

Ereschuld, Kupang/ Timor, juli 2012

Nauwelijks heb ik voet aan wal gezet of ik wordt al aangesproken. Een Indisch man, een jaar of 75, nog traditioneel gekleed. Hij vertelt van zijn Hollandse banden. Hij spreekt nog wat Nederlands, zijn vader heeft altijd voor het Koloniaal gezag gewerkt. Als ik hem, laat ik hem Max noemen,  de volgende dag weer spreek ,vertelt hij dat zijn vader, voor zover ik begrijp is hij al een tijd geleden overleden, nog geld te goed heeft van de Nederlandse overheid.

Even valt een schaduw over ons Indonesisch bezoek. Bewust van de oude Hollands-Indische banden roert het me dat nog zoveel mensen Nederlandse woorden kennen; dat hun taal nog zo doorspekt is van ons taalgebruik.  Maar dat we ook nog schulden zouden hebben; zelfs meer dan 60 jaar na dato is niet wat ik had verwacht.

Jarenlang stond de Ereschuld; de Backpay, op de agenda; althans bij de Indische Nederlanders in ons land. Voor de overige en met name voor de politiek was het allang geen item meer. Nederland had aan zijn eigen Europese oorlogsverleden meer dan voldoende om zich zorgen over te maken. De lotgevallen van de Indische Nederlanders tijdens de Japanse bezetting vielen daarbij schijnbaar in het niet.

Pas aan het eind van de 20e eeuw komt het, onder de Paarse Kabinetten van Wim Kok, weer kort terug op de agenda. Het lijkt of met de oprichting van het Indisch monument in Den Haag, de blik toch even verschuift; erkenning een plaats krijgt. Er volgt genoegdoening, maar niet van de gewenste omvang.

Het is cynisch dat juist de Verenigde staten, ondermeer in de Filipijnen overgegaan zijn tot compensatie van oorlogsschade ten tijde van de Japanse bezetting; Europese landen, waaronder Engeland in de zelfde lijn hebben gehandeld.

Zo niet Nederland.

Dat Engeland in haar gebiedsdelen in Zuid-Oost Azie achterstallige salarissen van haar militairen en ambtenaren ten tijde van de Japanse bezetting achteraf, alsnog heeft gecompenseerd.

Zo niet Nederland.         

Het is het leed van de KNIL-militairen; van de Nederlanders en Indische Nederlanders in Koloniale dienst. Overhaast gevlucht naar ons natte koude land; als jarenlang trouw dienaar van de Nederlandse zaak was er voor hen reëel gesproken geen plaatst meer in het Nieuw Indonesië; teveel verbonden met de oude kolonisator.

Eenmaal aangekomen in ons land was de douche nog kouder dan verwacht. Jarenlang is hun zaak niet erkent; werd geen gehoor gevonden. Nu na bijna zeventig jaar gaat het niet meer echt om het bedrag; het gaat om de erkenning. Zelfs na een monument, een kleine tegemoetkoming is het gevoel nog niet weggenomen.  Van de betrokken zijn er steeds minder; hun nabestaanden dragen echter nog steeds dat gevoel. Het gevoel van de niet echt gehonoreerde Ereschuld.

Voor Max kan ik niets doen. Alleen zijn verhaal, en het verhaal van duizenden anderen hier in Indonesië en ver weg in ons eigen land, dat verhaal zal nog wel een tijd rondgaan.

 

Goena Goena (Medana/ Lombok, juli 2012)

Op de grond gezeten laat ik het vallen; Goena Goena, ineens is alle aandacht op me gevestigd. Ik raak een snaar, een Indische, te midden van deze Indonesische Moslims waar mee ik aan het rituele na-vasten maal zit. Ineens is het stil.

Stukje bij beetje vertel ik van mijn Indische roots, van mijn oude Indische Tante, haar broer, mijn grootvader, de Indische omgeving in mijn jeugd. Het meest herinner ik me hun geloof in het mystieke, het bovennatuurlijke, voortdurend alert op het onverwachte, het onheilspellende; de Vloek, de Stille Kracht.

In de warme tropennacht lijkt de mystiek snel geboren; de zwartdonkere nacht ligt over het huis, een deur slaat, het gaslicht dooft even en flakkert weer op, een straffe wind rukt aan het dak. Heel even maar, dan is alles weer gewoon.

Kilo’s vol volksgeloof brachten ze mee in hun valies, terugkomend uit het verre Indie. Nooit doorlopen onder een ladder, geen paraplu open in huis (anders ontsnappen de kwade geesten), geen zout knoeien (komt ruzie van) en zeker niet met dertien personen aan tafel (twaalf of veertien, maar zeker niet dat getal).  

Ze hadden er vast nog meer, geloven in slechte verschijnselen.  Nooit je eigen portemonee kopen,anders zal deze nooit gevuld zijn. Als je iets scherps laat vallen zoals een mes of schaar op de grond,blaas er dan op anders krijg je ruzie. Niet met z'n drieën op de foto dat brengt ongeluk. Je mag als zwangere vrouw niet schrikken anders misvormt je kind. Je handtas nooit op de grond zetten maar altijd ergens op,anders rolt het geld je tas uit. Zout voor deurposten strooien, om het kwaad te weren. Geen nagels knippen in de avond, dat is respectloos. Geen schoenen of voeten op de salontafel zetten,dit brengt armoe.

Ooit gaf mijn oude Indische Tante een dinertje. Toen er maar dertien mensen uitgenodigd waren en konden komen werd ijlings een veertiende persoon gezocht, ze kwam al uit Indië; toelichting was overbodig, ze begreep het probleem.

Het heeft niet geholpen, maar enkele maanden later overleed deze oud-tante. Een van de laatste uiteinden van mijn Indische roots.      

Afval ( Tanjungpadan, Belitung, Indonesie, augustus 2012)

Mijn ogen rollen eruit als ik na dagen gissen eindelijk begrijp waar de dagelijkse stroom van afval vandaan komt die ik iedere dag weer in onze baai een aantal uren langs zie trekken. Achter ons, onder de wind maar stroomopwaarts, ligt een aantal vissers, sleep- en werkboten geankerd. De bemanning wacht op werk. Nog net zie ik hoe op een van de boten, nauwelijks 100 meter achter ons de vuilnisbak, de tweede of derde die dag, wordt leeg gestort in de baai. Even later dobberen de Mc Donald bakjes, PETflessen, verpakkingen en dergelijke tussen de etensresten langs onze boot.

Het is een bekend probleem in deze landen; hoewel ik me soms afvraag of het werkelijk wel hun probleem is. Ik heb weleens de indruk dat de opgeruimdheid van een land stopt bij de uitgang van de luchthaven; daarna wappert het plastic in de struiken, liggen de plasticflesjes wijd verspreid.

Ik herbeleef Gambia en Senegal als ik met mijn vuilniszakje aan land stap, resten van ons leven van twee weken aan boord. Als ik een van de mannen aan de wal vraag waar ik mijn vuil kan laten wijst hij iets verder op; er liggen al meer vuilniszakken. Een paar minuten later ruik ik de echte stortplaats; honderden vuilniszakken, doorzocht en doorwroed, liggen bijeen langs de kant van de weg. Niemand lijkt zich erom te bekommeren.

Maar een keer kom ik, Noord-Lombok, een vuilophaalauto tegen; bak voor bak wordt leeggestort en afgevoerd. Het kan dus wel.

De wereldzeeen lijken soms een stortplaats, vuilniszakken, plastic, balken, van alles drijft rond. Herhaaldelijk moet ik een balk vermijden; je moet er niet aan denken dat dit in de nacht op je afkomt.

Ooit lag Batavia, nu Djakarta, vrijwel aan zee. De stad ligt inmiddels ver landinwaarts, de rivier vol modder en afval heeft de kust steeds verder weggebracht.

Het ontbijt is net afgelopen als we nog wat nagenietend in de kuip, de overzijde van onze ankerplaats overzien. Een vissersschip moet worden verplaatst, ongeveer 50 meter, hooguit. Eerst ligt de stapel wat beschadigde piepschuim visbewaarbakken in de weg; over boord ermee. De wind heeft vrij spel, al snel zijn ze weg gedreven. Dan verdwijnt een hand vol oude lappen over boord; misschien bevatten ze nog olie, ze blijven net aan drijven, lekker voor in je schroef. Dan trekt de onfortuinlijke visser drie meerpalen omver, met de stroom drijven ze weg. Weer drie balken extra toegevoegd aan de voorraad op zee.

Cola, McDonalds, SUV, Telecom en Broadband Internet ten spijt; de werkelijke staat van ontwikkeling van een natie, lijkt zich toch beter af te lezen aan de, werkelijke, aanpak van hun afvaloverschot.

 

Nieuwjaar   春節  guò nián ( Nusajaya, Maleisië, februari 2013)

Een geweldig geknal vlak naast me trekt de aandacht. Vlak bij wordt een groots vuurwerk afgestoken; het grondvuur kan ik niet zien, er staat een gebouw en begroeiing voor, de kleurrijke vuurpijlen en vuurpotten laten genoeg weer schijn achter op de middernachtelijke hemel. Een feest? Een voorproefje?

Al een paar weken kleurt het winkelcentrum waar we wekelijks onze boodschappen doen rood, steeds roder en roder; iedere week heftiger. Het Chinees Nieuwjaar is in aantocht. Het grappige is dat aan wie je het maar vraagt in Maleisië, Chinees Nieuwjaar niet als een groot feest wordt beschreven; ze zijn moslim, andere feesten vragen hun aandacht. Toch kleurt alles rood, de lampionen, de grote banieren, de leeuwenmaskers, de sierdraken.

Een onbelangrijk feest maar toch, reden genoeg voor een paar dagen vrij en tegelijkertijd belangrijk genoeg om er alle aandacht aan te geven. Het overwegend Chinese Singapore, 30 kilometer verder, maakt er geen geheim van dat winkels en bedrijven gedurende Chinees Nieuwjaar soms tot wel 2 weken dicht zijn; een zeldzaamheid voor de altijd zo hard werkende Chinees. Een echt volksfeest is het daar.

Weken lang is Maleisië al in de ban van Nieuwjaar; althans de commercie. Winkels, restaurants, bedrijven, zelfs wijken, stadsdelen en toegangswegen zijn rood versierd, banieren, spandoeken, lampionen. In een boekhandel tref ik “nieuwjaarskaarten”, zoals onze “goede kerst”wensen, goedkoper in pakjes van 5.

Het is een goede gewoonte met Chinees Nieuwjaar geschenkpakketten te geven. Winkels puilen uit van de soms sierdozen vol etenswaren en snoep, doosjes, blikjes , koekjes en gebak; de vergelijking met onze kerst pakketten dringt zich op. De rode pakketten zijn er in alle vormen en maten, sommigen wel een meter hoog.

De oorsprong van het Chinees Nieuwjaar, of eigenlijk Lentefeest, ligt in de Legende van Nian (njen), een mensetend prooidier in het oude China. Hij drong ongemerkt huizen binnen en werd gevreesd. Nian verbleef het hele jaar in de diepe zee en verscheen alleen bij de overgang van het oude op het nieuwe jaar. Chinezen verjoegen daarop Njen, die daar gevoelig voor was, met hard lawaai en rode kleuren. De oorsprong van het Chinese vuurwerk met zijn harde knallen en de (rode) drakendans was geboren.

De laatste en meest belangrijke feestdag in de Chinees Nieuwjaar periode is de 15e dag, het Lantaarnfeest. Een paar jaar geleden liep ik rond de Nieuwjaartijd in Hanoi, Vietnam. Tientallen Vietnamezen verzamelde in die tijd takken met bloesem, zoals wij als “paastak”vaak een kronkelwilgtak of kersenbloesem in huiszetten. Een levende bijdrage aan het lantaarnfeest. Hier in Maleisië zijn het vooral grillig gevormde takken en twijgen met piepkleine lampionnen die het Lantaarnfeest kleur geven.

De Nieuwjaarperiode is vooral een “familie”tijd; niet alleen een tijd van gezamenlijke viering in de familiekring, maar ook van voorouderrespect en verering. Bijna traditioneel is in Chineestalige gebieden het openbaar vervoer rond die dagen volledig verstopt; miljoenen, in China zelf, bijna een miljard, op weg naar geboortedorp of stad (jiaxiang), familie en gezin.

 

Aap… (Tanjungpadan, Belitung, Indonesie, august 2012)

Al draagt een aap…. ; een oud spreekwoord verhaalt van een aap die ondanks zijn mooie aankleding toch minder fraai blijft.

Bond tot Bevrijding van Circusdieren; Stichting tegen de uitbuiting van Trekezels; Vereniging tot bestrijding van Dierenleed;  Gezelschap ter uitbanning van de Dansende Beer; je kunt het zo gek niet bedenken of ik ben er, althans in gedachte, steunlid van. Waakzaam en alert op misbruik van dieren voor menselijk genot en plezier, ben ik een echt “Wakker Dier”.

Toch begin ik wat in te slapen, niet dat een nertsmantel mij al past, maar toch, het voelt langzamerhand of de strijd is gestreden. Alleen een echte douaneactie met honderden schildpadden voor de consumptie, met Orang Oetang staarten bestemt voor de chinese bereiding van potentieverhogende middelen; met honderden siervogels, kop-staart verpakt voor meer ruimte winst; alleen zo’n vangst maakt me weer even wakker.

Ik loop op de markt, met niet bewust wat komen gaat. Plots als ik terugkeer op mijn schreden, staat  ze daar; een aapje met een fiets.

Achter de coulissen is een orgeltje gaan spelen; twee man slaan de maat op een trom en midden op straat…..

…. een dansende aap. Elegant gekleed in een grijs flanellen jasje, een mutsje  en dito rode broek met biesjes; hij, of is het een zij?, heeft een ringetje in zijn oor.   

Rondjes draaiend als een ballerina, dan weer als gewichtheffer met z’n halters boven zijn hoofd, dan meer op een motorfiets; de aap en zijn baas laten zien waar hij allemaal toe instaat is. Het lukt hem zelfs het geld aan te pakken dat hem wordt gegeven als blijk van waardering.

Mijn maag draait zich om, ik ben op slag weer wakker. Naïef als ik ben, dacht ik werkelijk dat deze vorm van uitbuiting met de machtovername midden vorige eeuw in dit land zou zijn uitgestorven.

Ik heb een nieuwe club voor ogen; die van de slotakte van de Dansende Aap.

Immers, al draagt een Aap een pakje met biezen …. gun hem z’n vrijheid, waarin hij zelf kan kiezen. 

 

Sterven……. (Tandungpadang, Beilitung, Indonesie, augustus 2012)

… een plotselinge explosie van geluid;  het schuren van hout, gevolg door een zware en sidderende kreun, op zijn beurt weer gevolg door een reeks zeer luide knallen, de bovenste stengen van de masten. Zo rapporteerde Franscisco Pelsaert, de hoogtste beambte aan boord van het VOC-schip aan zijn bazen bij de Heeren Zeventien, het vergaan van hun vlaggeschip Batavia, in 1629 op de riffen van de Houtman Albrahos eilanden voor de westkust van Zuidland; het huidige Australie.

Schepen sterven vaak tragisch; op een ijsberg, een koraalrif, de toegang tot de lagune net 50 meter gemist, of zoals de jonge zwaan Batavia, krakend en weinig gloedvol,  stervend op de rotsen, in de loop van eeuwen door de branding gesloopt tot voorbij het karkas.

Als een schip was zou ik willen sterven in ….

Wie west loopt vanaf de haven van het Bretonse Camaret-sur-Mer passeert ze. Roestige knokige starketsels, hun rauwe arbeidszame jaren nog zichtbaar op de huid. Op een bank op het havenhoofd bij Fort Vauban, zit ie daar, de oude Breton, schijnbaar zonder haast; zijn mijmerende blik glijdt over de bejaarden, in wisselende staat van verval.

Zo’n 30 jaar geleden voer ik de rivier op naar Rye. Als ik nu naar de kaart kijk een onmogelijke toer vol over de ondieptes; toen nog een smal stroompje water, kronkelend tussen de banken op weg naar het ruime sop. De rivier is niet meer; scheepswrakken,  in wisselende staat van verval, sierden de oevers, een enkele yawl, sloop of cuttter, lag nog aan een ankerboei, wachtend om nog een keer te worden uitgelaten. Daar in de zilte lucht lagen de geraamtes, weggezakt op de bank of rechtop in de “mud”, glorious, Engelse scheepvaart historie,  een openluchtmuseum waardig.

Tandjungpadang, een verzilte haven, slechts met moeite nog door de verzande vlakte met een gebaggert geultje met de rest van de wereld verbonden. Ooit een trotse hoofdstad, nu nog slechts het slaperige centrum waaruit de Biliton z’n succesvolle opmars begon. Verslipt en verzand, een stadje van vissers en een enkele handelsschuit, een Bukanese schoener, fier getuigd.

Wie binnen is mag er niet meer uit. Je zou het bijna zeggen; als ik er ben zie ik alleen de vissers nog bewegen; modern met lichtjes op hun mast met solarcel en ledbundel. Geladen overdag, bij nacht knipperend als een poltitieauto.

Aan de overkant van de stad liggen ze daar, op de bank tegen de mangrove. Ooit statig, hun weg zoekend naar de andere eilanden, vis in ruil voor specerijen, tin ruilen voor hout. Nu is het een bejaarden bank, vol stervenden en hen die reeds zijn vergaan. Het gras groeit op het dek, de spijkers roesten in het hout van de romp; een milde vorm nog van verval. Elders al wat ouderen, het dagelijks getij heeft ze  een plank van hun huid doen verliezen; een dek luik doen invallen. Water krijgt vrijspel, houtworm maakt zich meester. Langzaam neemt het tijd bezit van het kerkas, scheef zakkend, steeds verder afglijdend op de bank.

Rustig met een laatste blik op de overkant, ooit een drukke stad, sterven ze, vergaan met het getij. De tijd gaat langzaam; maar een eb en vloed per dag, de stervenden krijgen de tijd.

Als ik een schip was zou ik daar willen sterven; gewoon op een bank, gelijdelijk wegzakkend in de blub; de tijd op halve kracht.

Sterven als bark, barkas of sloep, als prauw of Bukanese schoener op de banken van Tandjungpadang; een eerbetoon aan het verleden. 

Fish and Chips (Tandjungpadang, Beilitung, augustus 2012)

Het is de tijd van de Ramadan, nauwelijks is er, althans overdag, wat open. Af en toe treffen we warung, vaak Chinees, in deze trouwe moslimnatie.

Een stuk vetvrij papier; half ingevouwen tot een McDonald bakje, gevuld met Nasi en… vertel het maar. De keuze is gigantisch, vaak ook regionaal bepaald. Namen rollen over de counter, herinneringen aan restaurants uit een verleden, “Garuda” of “Bali”, met Opa; basis van mijn “Indisch gekruid”.

Sayur Asam of Sayur Kapau, de ver doorkookte zoetzure groente; Gorengan, de gefrituurde hapjes; Kerupuk of Kroepoek, de gefrituurde garnalen en rijstkoekjes; Lontong met Sateh; rijstbolletjes met Sateh en Satehsaus, Sateh Ajam Padang; Pisang Goreng, gebakken banaan; Tahu’s en Tempehs; Ubi Rendang, in blokjes gesneden zoete aardappel gekookt in kokosmelk en gefrituuurd; Ketimun, in stukjes gesneden verse komkommer; Telur Goreng, gebakken ei;  Serundeng, gemalen strooisel van kokos, soya, ui, tamarind en chili; Rempeyak, gefrituurde pindakoekjes; Ketoprak,tofu met deegballetjes, boonspruiten in soya/pindasaus;  Kacang, noten/ bonenmengsel; Gado-gado, greonten met pindasaus;  Emping, notencrackers; Dadar, omelette, Ayam, Kip en Daging Sapi, Anak, Babi, vlees in verschillende soorten en maten, ik maak mijn keuze.

Een scheutje Kecap, zoute of zoete soyasaus, en een lepel Sambal “pedas”maken het geheel compleet.  

Mijn keus wordt bij elkaar in het vetvrij papier geschoven; klaar voor consumptie. Ik neemt het mee om thuis op te eten, tijdens de Ramadan,wat vrijer van hongerige blikken. Lekker op de bank, druipend met mijn vingers, zeg maar Ketam Goreng en Ikam Bakar, maar dan op z’n Indonesisch.

Nog een week dan is de Ramadan voorbij; wordt er weer gegegeten overdag, kruipen de geuren en kleuren van het straateten je weer uit alle richtingen tegemoet.  Kan er weer gewoon op straat worden gegeten, scheelt weer in de vette vingers aaan het tafelkleed.

Gewoon, net als Fish and Chips, met je vingers, druipend, zo uit het vetvrij papier.

 

Moeder Kloek(Pulau Bawean, augustus 2012)

Met een scherp oog waken we voor “viseilanden”, kleine vlotten met in de diepte hangende vislijnen. Ze zijn nauwelijks herkenbaar; alleen een verdroogd palmblad, wat rafelig in de wind maakt ze zichtbaar. Althans, met tegenlicht, nog net te  onderscheiden.

Dan zien we ze ineens, kleine visbootjes; een kunstig opgesneden boeg door klieft de golven. Het waait stevig. Een pirouette dansen ze om het viseiland; steeds opnieuw lijken ze hun rondje te maken. Eén visser slechts aan boord. Eenzaam maar wel practisch.

Twee lange sprieten aan beide zijden een uitgeboomd, slepen een lijn. Ze doen wat denken aan de “tonijnbomen”op de westerse wit plastic motorjachten die je zo talrijk in de luxe marinas in de tropen vindt.

Een pirouette, achter elkaar, drie soms vier, vijf elkaar volgend en leidend. Het iis een elegant gezicht; wij bewegen ons ertussen dooor, lomp opweg naar een ankerbaai.

Voor de mond van de baai ligt ze al klaar. Moeder Kloek, een tiental bootjes heeft zich achter haar aangemeerd; het is de donderdag halverwege de Ramadan. Als een hospitaal kerkschip; als drijvende kerk, zoals ooit bij ons in kloeke tijden voor de haringvissers, lijkt ze als drijvende moskee te dienen.

Een uurtje later gooit ieder weer los.

Als een kerstboom die wordt ontstoken   zo springen in geen tijd tientallen lichtjes aan; zo zie je ergeen, zo is de schemer 5 minuten gevorderd en de zee is vol lichtjes, als drijfkaarsjes in een schaal.

De hele nacht twinkelt de zee. Als ik de volgende ochtend opsta is moeder Kloek verplaatst. De zee is ruw geworden; ze ligt nu vlak achter ons. Een tweede, veelkleurig beschilderd, een waar kunstuk, ligt iets verder op. Een andere Cooperasi?  Stuk voor stuk leggen ze weer aan; een paar maandjes vis worden door gegeven. Dan stoten ze weer af. De eenzame visser vaart de zee weer op.

Ik hoor ze geen gemeenschappelijke dienst meer hebben; ook de maaltijd na de vasten gebruiken ze individueel. Alleen Moeder Kloek zie ik naar de wal vertrekken.

Als de avond valt flikkeren en flonkeren er weer de talloze lichtjes. Teken van leven in de schier oneindige piroutte.

Uitbreiding (Medana Bay, Lombok, juli 2012)

Op weg naar de markt valt het ons op. Tussen de armoedige familiewijkjes, kampongs, staan ze er plotseling. De kleine goedverzorgde Hindostaanse tempels, de welverzorgde chinese huizen. Ze vormen een uiterst kleine minderheid. Parels zijn het, het Chinese huis, compleet met pagodedak en miniteus verzorgd voorerf, de Hindoestaanse offerhuizen vol afbeeldingen van goden en godinnen, vol met offerrandes. In de lichte wind klingelt een belletje. 

Waar je ook maar kijkt in de dorpen en steden, overal zijn moskeeen in aanbouw of renovatie. Lombok kent een grotendeels orthodoxe moslim meerderheid. Het valt op, bijna  iedere moskee staat in de steigers, een grotere vloer, een nieuwe verdieping, een hogere minaret, nieuw tegel en marmerwerk.  Het is Ramadan, er wordt verbouwd met de winkel open. Overal zien we werklieden tussen het moskeebezoek.

Onze –moslim- chauffeur die ons een stuk van het eiland laat zien vertelt dat iedere moskee plaatsgebrek heeft. Er wordt steeds meer gebeden, er komen steeds meer moslims, vaker naar de moskee.  

Ooit, werkzaam nabij het centrum in een van Hollands kleine steden in het Groene Hart, lag de moskee vlak achter mijn werkadres. Alleen op vrijdag, voor het middaggebed was het wat drukker, tijdens de ramadan wellicht iets meer. Nu zien we op door de hele dag de moskee ingebruik; in de nacht zelfs nog hoorbaar meer.

Sinds een jaar of vijftien, zo vertelt onze chauffeur, neemt het kindertal onder strengere Moslims stevig toe, van gemiddeld twee een aantal jaren geleden, nu sinds de regering daar geen beleid meer in heeft, naar zeker vier per gezin. Logisch dat na verloop van tijd de moskee voor al die jonge moslims en moslimas moet worden uitgebreid. 

Indonesische Moslims, de meesten hebben het niet breed, straks zijn het er meer dan de Chinezen met hun 1-kind politiek. Een voordeel heeft het wel vier kinderen per gezin, een probleem met de financiering van de AOW zal niet zo snel ontstaan, meer dan voldoende jongeren om de AOW op te brengen; alleen, AOW kennen ze nog niet in dit land waar de kinderen de ouders gewoon nog zelf verzorgen en voeden. AOW een Nederlands begrip van net na de Indonesianisasi; de machtovername en dekolonisatie.

Vlag, (Medana Bay, Lombok, juli 2012)

Ik heb het eerder al eens overwogen; gewoon mij vlag weghalen en doen of mijn neus bloedt. De vlag van Zuid Holland hijsen, die van de EU of desnoods die van de VOC van eeuwen her. Een vlag van trots en ondernemingslust; een waar je je niet voor hoeft te schamen. Hoewel met ons “specerijen”verleden dat in de Indische Archipel wellicht toch niet zo’n goed plan is.

Op weg  zuidwaarts langs de kusten van Marokko en Senegal, kwam het in me op –onze Nationale Driekleur wapperde nog fier en schoon aan de achterstag- hoe welkom ben ik hier?  Als onze vlag begrepen wordt? Als de autoriteiten onze papieren zien?

Amerikaanse jachten varen op grote schaal zonder “Stars and Stripes”, zodra ze de territoriale wateren verlaten. Gewoon, om geen aanleiding te geven, geen misverstanden op te roepen.

Misschien is dat wel een verstandig idee; kort voor onze aankomst in Marokko  verscheen “Fitna”, de eerste Wildersfilm. Een steen in Islamitisch water, een fil die rumoer oproept, weerstand en protest. De “Cartoonrellen”hebben net plaatst gevonden, van gedogen is in de Moslim wereld nog niet gehoord.

Er staan weer verkiezingen aan te komen; Wilders Islam standpunten schallen weer over straat.

Gek, maar ergens in mijn achterhoofd knaagt iets; speelt toch de gedachte mijn vlag een tijdje weg te halen. Gewoon geen rumoer om me op te roepen; niets hoeven uit te leggen over het verschil tussen voor en tegen en gedogen.    

 

 

Spinnen  (Bima, Sumbawa, juli 2012)

De dag is nog niet aangebroken als ik mijn blik de baai in laat gaan. Tientallen knipperende lichtjes als vuurvliegjes zwerven om me heen. Even later, dampend mistig rijst de dag, met aarzelend licht boven de heuvels achter de baai, doven de lichtjes zich. Op de wal roept de Iman op voor het ochtend gebed; zangerig, gevolgd en volgend. Een oproep voor de gelovigen; de nieuwe dag is daar.

Zacht prutteld op de motor , ik wil de serene rust niet verstoren, glijden we weg van ons plekje in de baai. Overal om ons heen kleine kano’s, outriggers, een visser, gehurkt op de steven, zoals alleen een Indonesier kan. Ze vissen met lange lijnen, gedachteloos   op en neer bewegend; de tijd verstrijkt.

In de verte, boven de waterspiegel neemt de zon steeds meer ruimte in van de nacht, verschijnen nieuwe vormen, brede drijvers met netten en lijnen, aan beide zijden als de poten van een spin. Midden in de boot een pruttelende motor; er boven de vissershut. In de achtersteven brandt een houtskooolvuurtje, een extra lichtje in de nacht. Gevaartes zijn het deze vissersboten; bijna breder dan lang, een sprookjes achtige verschijning bij het krieken van de dag. Vissers, na een nacht op zee op weg naar hun basis; in het vroege ochtend licht als spinnen van de oceaan.

Ik passeer een bankje, geduldig wacht de visser, zonder besef van tijd of haast, peurend met zijn vislijn op z’n toevallige vangst. Zijn punthoed, beschermend tegen de zon als op de dessa’s, glimt nog tijden achter me; eerst rood in de opkomende zon, dan geel, dan wit tot de visser al schitterend achter de mangrove verdwijnt. 

Uren later gaan we voor anker; het laatste licht dooft al enigszins. We liggen voor een vissersplaats; in de verte weer de spinnen, geduldig wachtend in het naderend avondlicht.  Klaar voor een nieuwe nacht op zee. Even later zie ik ze schuiven, krabbelend met hun zijpoten op weg naar hun visgronden. Nog uren zie ik de lichtjes in de verte, dansend en twinkelend in de nacht.

Selamat jalan; alaikumsalam  (Kilo, Sumbawa, juli 2012)

Het anker zit nog niet eens in de grond of we zijn al gesignaleerd. In geen tel dobberen 4 kano’s om ons heen; eenvoudige boomstamkano’s. Ze liijken wat op de boomstamkano’s in Senegal, Ganmbia en Brazilie. Minstens 15 kinderen, de meisjes met een hoofddoek, hangen om ons heen aan de boot.

Mister, Miss; pen? Books?

Het is een vast ritueel als we vlak voor een dorp voor anker gaan; af en toe kiezen we voor de rust juist verder weg, diep in het koraal onze plek voor de nacht. Een vast ritueel, meteen storten de kinderen op ons.  Speciaal voor de kids hebben we een vorraad pennen; met 10 pennen pper dag slinkt de vorraad echter snel.

Het regent dat het giet. Inventief vinden ze al snel een schuilplaats, onder de bodem van de bijbooot, omhoog getrokken achter de boot. Onvermoeibaar gaan ze door  mister!, miss!, books? pens?

De voorraad is op, helaas voor ze, vandaag geen pennen meer  “voor de geef”. Alleen, hoe maak je dat ze duidelijk; dat het wel genoeg is zo. Selamat jalan, wens ik ze toe, gevolgd door een welgemeend, Alaikumsalam; we liggen uiteindelijk voor een streng islamitische plaats. Het lijktweinig te helpen, gesteund door mijn poging tot Indonesisch krijg ik lachtend volzinnen terug.

Na een uurtje is het afgelopen, heel langzaam dobberen ze weer  terug naar hun dorp.

Selamta jalan, Aleikumsalam; goededag, ga in vrede.Het helpt weinig. In de verte nadert al weer een verse ploeg.

 

Hulp, (Indonesie, Bima/ Sumbawa, juli 2012)

Miss, Mister, how are you?

Er gaat geen dag voorbij als we met de bijboot ergens aanleggen zonder hulpvaardige jongens en mannen. Vaak al in het vroegst van de ochtend, we zijn nog maar nauwelijks aangekleed, of de eerste man meldt zich al;  of we diesel, benzine, water of groente/ fruit willen, moet de was worden gedaan? Je raakt er aan gewend, iedereen probeert een roepia -10.000 roepia is ongeveer een euro- mee te pikken van onze aanwezigheid. We zijn vaak een van de eersten dit jaar, het seizoen van de ongeveer 100 zeiljachten die jaarlijks Indonesie aan doen is pas net begonnen.

De eerlijkheid gebied te zeggen dat we zo bij aankomst bij het doorgaans wrakke steigertje wat hulpeloos zijn;  het Bahasa Indonesia is ons nog niet zo vertrouwd, de gewoontes zijn divers, we zijn nog onbekend met de lokale cultuuur, het stratenplan is voor ons nog een raadsel.

Miss, Miss! Meestal drop ik Christien op de wal en vaar de bijboot weer terug; de vraag waar we het bootje veilig achter kunnen laten even voor me uitschuivend. Nog nauwelijks droog op de wal storten de mannen en jongetjes zich al op mijn discreet geklede maatje. Uit de mellee aan hulpvaardigen wordt een keuze gemaakt. Wie de weg mag wijzen; het paardenwagentje mag zoeken, de kilo’s terug van de markt mag sjouwen. Zij oefenen hun gebroken Engels, wij bouwen heel spaarzaam ons gebrekkig Indonesisch op. 

Zelfs op het eenzame strand van het Komodo National Parc  duikt de “behulpzame” al op voor we uit de branding zijn. Of hij op het bootje moet passen? Wij zijn de enige bezoekers op dat moment, maar, alla. Misschien helpt het tegen de aanvallen van een Komodo Varaan ; weten wij veel, nog onwetend van de slome luiheid van deze superreptielen rond het middaguur.

Tja, hulp op de weg naar de markt is één, maar wie zorgt voor het bootje als wij om de hoek van de straat zijn verdwenen? Sinds onze vorige dinghy eens een middag werd geleend –met zwemvest van kleinzoon- zijn we voorzichtiger geworden; zeker nu onze semi-rib met zijn harde bodem en dito motor er zo begerenswaardig uitziet.

Het liefst leg ik hem met een dikke ketting om een fundatiepaal van de steiger; gewoon voor het gerust gevoel. Maar helaas ze zijn er vaak niet op het strandje. Dan toch maar weer een van de jongens als oppasser voor de boot . Af en toe gokken we fout; is onze opasser al naar huis als we terugkomen, gelukig ligt het bootje er nog.

Ze verdienen hun roepia’s onze hulpvaardige gidsen; via hun kruiwagen met groente, het paarden karretje van hun vriend, de satehverkopende buurvrouw. Ach en het belangrijkst is toch; ze helpen ons bij het vinden van onze weg.

 

Belanda, (Indonesie, Kupang/Timor, juli 2012)

We mailen met  Batavia marina op Java met de vraag of we er de boot een paar weken kunnen achterlaten. Ik verwacht een afwijzing, immers met Hollandse schepen die zich op de rede van Batavia meldden hadden ze de afgelopen eeuwen toch slechte ervaringen. Het tegendeel blijkt; we zijn welkom.

In de aanloop van Indonesie lezen we ons in. De lotgevallen van de bemanning van de gestrande Batavia en de niet aflatende strijd met de Engelsen, de Portugezen en vooral de inwoners van dit eilandenrijk laten weinig aan fantasie over.  Bloedbaden en slachtpartijen wisselen af met slinkse handels praktijken en paleisintriges van VOC toppers als Jan Pieterszn Coen. Vermoedelijk was hij het die onze oud-premier Balkenende stimuleerde tot het herleven van de VOC mentaliteit. Kenners moeten gegniffeld hebben bij deze onomwonden oproep tot moord, doodslag en geniep. Vermoedelijk zal hij wel “handelsgeest”hebben bedoeld, vermengd met omkoping en smeergeld en lage lonen kennelijk ook in onze tijd nog het nastreven waard.

Nauwelijks een dag op Timor heb ik de VOC munten al in mijn handen gehad; de traditionele vraag aan toeristen; wer ar u frum, laten we volgen door het simpele “Belanda”. Als een toverstokje krijgen we een glimlach; de een is in Holland geweest, de ander spreekt nog een paar woorden Hollands of Indisch Maleis, heeft nog munten van uit zijn of haar jeugd. Wilhelmina, Willem II, oorlogsgeld van ’45, je kunt het zo gek niet bedenken.

Ik ben verbaasd over het welkom, na het lezen van al dat bloedvergieten door de VOC of later nog rond de onafhankelijkheid.

Je zou  minder hartelijkheid verwachten; dat welkom -keer op keer- het blijft ons aangenaam verrassen. 

 


Op deze pagina rust auteursrecht; gebruik van delen alleen na toestemming van de auteur.

op 10-07-2013 bijgewerkt