Rhythm of Life aan de wal

2008200920102011

Rondreis NZNieuw CaladoniePNGIndonesieMaleisië

Nieuw-Zeeland; rondreis

Het orkaanseizoen is nog in volle gang als we terugkomen in Nieuw-Zeeland. Tijd voor bootonderhoud en om het land nu eens goed in te trekken voor indrukken en verhalen. Met onze stationcar, gevuld met tent, rugzak en koelbox trekken we er ruim een maand op uit. Het is hoogzomer en  warm, heel warm als we Whangarei verlaten. Het hoogseizoen en een tweetal achter elkaar gelegen vrije weekends, Anniversary Day en Waitangi Day, maken dat het druk is op de weg en de campings. Boven Hamilton vinden we plaats voor de nacht. De weg er naar toe door King Country slingert en kronkelt. Mooi maar met weinig vooruitgang.

King Country is een belangrijk gebied voor de Maori, de oorspronkelijke inwoners van Nieuw-Zeeland. Enkele jaren na het sluiten van het verdrag van Waitangi, in 1840 de officieuze grondlegging van Nieuw-Zeeland, ontstond onvrede bij de 550 stamhoofden van de verschillende Maori stammen die zich in het verdrag aan de Engelse Kroon verbonden hadden. Teveel inbreuk vonden zij, op de afspraken in het verdrag, frustratie over het voortdurend verlies van land en soevereiniteit maakte het voor hen noodzakelijk zelf een "Koning" te benoemen; een gelijkwaardig partner ten opzichte van de Engelse Kroon. Het heeft ze niet echt geholpen. Nog steeds is er een regerend Maori-koning, de zevende generatie inmiddels, afstammeling van de eerste koning, Potatau.

Het is opvallend te zien, zo van noord naar zuid door het land rijdend, hoe Nieuw-Zeeland zijn vervoer organiseert. Over de volle lengte van het land, van Auckland op North Island tot helemaal onderin South Island loopt bijna 2000 kilometer spoorweg. Ooit liep vanuit deze spoorlijn een web vol zijtakken; de meesten inmiddels alweer vervallen en verlaten. Zware arbeid en ontbering is ooit, rond 1900, geleden bij de aanleg van grote delen van deze spoorlijn. Regelmatig passeren we inmense brugconstructies die de treinen veilig over rivieren en ravijnen moeten leiden. Op sommige trajecten, een aantal van de campings blijken vlak naast de spoorlijn te liggen, passeren de goederentreinen dag en nacht om het kwartier. Een intensief benut vrachtspoornet -volop containers- personenvervoer is op de meeste trajecten minder gebruikelijk.

Nieuw-Zeelands hoofdwegennet is, behalve rond Auckland en Wellington, enkelbaans. Toch is het er rustig. Zelfs het aantal campers op de weg is belangrijk minder dan verwacht. Net terug uit Europa zijn we volop vrachtverkeer gewend. Een verrassing, ook het aantal vrachtwagens is beperkt; vrijwel alleen voor regionaal vervoer.  

Terwijl we zuidelijk rijden breekt na een dag vol regen toch nog de zon door. We slaan onze tent op een DOC camping -Department of Conservation- op de flanken van de vulkanen in het Tongoriro NP; kampeerplaatsen zonder enige voorziening. Het is koud zo hoog tegen de vulkaan; als ik er 's nachts even uit moet, kraakt het gras onder mijn blote voeten. Vrijwel volledig aangekleed slapen we in onze slaapzak; ondanks een extra fleece deken wordt het niet warm. 

Reden genoeg om als de zon op is snel op te breken. Via de oevers en zijrivieren van de Whanganui rivier, diep onder ons naast de weg, rijden we naar Wanganui -zonder "h"- aan de mond van de gelijknamige rivier. We volgen vooral binnenlandse routes, ver van de hoofdweg. De natuur, de omgeving in dit deel van North Island is imponerend. Ooit zijn de missionarissen diep in dit kronkelende dal doorgedrongen; plaatsten als Jerusalem, St Joseph en Korinti getuigen nog steeds van hun aanwezigheid en arbeid.

Na Wanganui wordt het landschap saaier. De rit de voorgaande dagen over slingerende wegen, langs verradelijke ravijnen en adembenemende filmdecors heeft de verwachtingen hoog laten stijgen; ten onrechte, de weg naar Wellington is lang en eentonig. Eén voordeel heeft het wel, we schieten goed op.

Voor we de boot naar South Island nemen, brengen we een dag door in het Te Papa museum, Nieuw-Zeelands nationaal museum. Een absoluut goed bestede dag; de informatie is ruimschoots aanwezig, boeiend en aantrekkelijk. Op allerlei vlakken grijpen we in de weken daarna tijdens onze rondreis nog terug op de geboden informatie. Veel van Diederique's "schrijf"vragen rondom de Maori in Nieuw Zeeland worden beantwoord.

Een van de zaken waar we bij de voorbereiding van onze reis naar en door Nieuw-Zeeland nauwelijks -niet eigenlijk- bij stilgestaan hebben is "natuurgeweld". Wat naïef - we vertrokken naar Nieuw Zeeland om tijdens het orkaanseizoen "veilig" te zijn, beschouwen we het land waarin we verblijven als veilig. Naïef zo gezegd. Nauwelijks op South Island leren we anders; de weken daarna lopen we er zelf tegen aan.

In de uiterste noordwest hoek van South Island ligt het Abel Tasman NP; we plannen een aantal dagen rust om er wat tochten te maken. Helaas, als gevolg van ernstige overstromingen een maand eerder zijn veel routes niet toegankelijk en wegen afgesloten. We komen niet ver en besluiten na een dag weer verder te gaan. West van ons heeft zich een massief slecht weer gebied ontwikkeld. Eenmaal voorbij getrokken naar North Island trekken we verder richting Westport/Greymouth aan de westkust. Vreemd genoeg, het duurde meer dan 50 jaar voor de spoorlijn door dit gebied gereed was, loopt de weg langs glooiende hellingen en dalwegen, wel iets anders dan de rauwe haarspeltbochten en steilklimmende wegen van het Abel Tasman NP. Het landschap op onze route naar Greymouth slingert zich een belangrijk deel van de tijd rond de Buller rivier. Ooit in 1847 trok de ontdekkingsreiziger Thomas Brunner er, van Nelson naar Westport, in gezelschap van 4 Maori door heen. Het was afzien. Hij deed er 550 dagen over, heen en terug. Brunner en zijn reisgenoten hebben honger geleden. Weken leefden ze alleen van beukenloten, varens en mos. Toen de nood het hoogst was moest zelfs Brunners hond eraan geloven.

Het is midden in de Nieuw-Zeelandse rimboe warm. We maken massief kennis met een fenomeen dat typisch is voor Nieuw-Zeeland, met name South Island, in de zomer; Sandflies. Ze steken geniepig, gemeen en met uitgestelde kracht. Nog dagenlang koesteren we onze bulten en steken. De Bullerstreek is de streek van de "Goldminers", goudgravers. Van Berlin, ooit een van de zinderende goudzoekersdorpen is weinig meer te vinden. Het roadhouse is er nog wel. We worden ontvangen met echte Country en Western. Er is een driedaags "C&W en Goldminers"event. Honderden C&Wfans, gemiddelde leeftijd tegen de zeventig, genieten van Bluegrass en Country en Westernmusic. De Goldminer lookalikes, met Stetson en gehoorapparaat, zijn niet bij het podium weg te slaan; logisch, het lopen gaat ze ook niet meer goed af. Vanavond geen line-dance meer.

Voor we verder zuidwaarts gaan, rijden we in Westport langs een van de weinige plaatsen waar Abel Tasman, de eerste westerse ontdekker van Nieuw-Zeeland, voet aan wal zette. Toen hij aan land probeerde te komen ging er van alles mis. Omringt door Maori kano's -Vriend of Vijand?- voelt hij zich in het nauw gedreven. Hij blaast op een hoorn om ze weg te jagen en zend een bootje met een paar bemanningsleden naar de wal. Een minizeeslag volgt; eindresultaat van deze eerste westerse zeeslag om Aotearoa, Nieuw-Zeeland. De Maori, deskundige jagers -op zeeleeuw en walvis- spiezen enkele van de bemanningsleden aan hun speer. Tasman vlucht en laat ze voor dood achter op het strand; wij treffen nog slechts wat zeeleeuwen.

Het weerbeeld aan de westkust heeft een stereotiep dagelijks patroon. Ontwaken, na een koude nacht, met een wolkenloze hemel. Een sneldichtrekkend wolken dek van stijgingswolken gedurende de dag, eindigend in een wolkbreuk in de loop van de middag om daarna te eindigen met een wolkenloze hemel en een koude nacht.

Na vertrek uit Greymouth klimt de weg al snel omhoog. De natuur is overdonderend. Subtropisch regenwoud wisselt zich af met nog vochtiger gematigde bossen. De meest spectaculaire planten, struiken en bomen bepalen het beeld; een wereld van varens, mossen en epifyten, nauwelijks te beschrijven. Dan weer wanen we ons in Jurassic Parc -Nieuw-Zeeland bestond toen nog niet en maakte deel uit van het oercontinent Gondwana-, dan weer in de Lord of the Rings en Marten Toonders, Bommel bossen. Het kost weinig moeite in dit landschap, Frodo en zijn reisgenoten, bewaker van de "ring" voort te zien trekken door de wuivende velden en mystieke wouden. De fantasie raakt overprikkeld.

De vochtige lucht, aangevoerd met de westenwinden over de Tasmanzee condenseert tegen de Southern Alps, de zuidelijke bergrug, pal aan Nieuw-Zeelands westkust. De bijna dagelijkse stortbui is het gevolg. Zoveel  warmte -we zitten op 43 gr ZB- en zoveel vocht; het moet wel welig groeien.

Het is uniek, zo dicht bij zee en, ondanks de mediterrane breedte, al zo koud en hoog. Onmiddelijk vanuit de oceaan reiken de flanken van de Southern Alps omhoog. Een van de gebieden die Nieuw-Zeeland zo uniek maken. In nauwelijks een uur rijden we van de brede meanderende riviermonding vol keien en grillige stroombedden naar de voet van de Fox en de Franz Jozef gletsjer. Zelfs de aanloop naar de gletsjertong vanaf de subtropisch begroeide parkeerplaats in nauwelijks een uur naar de gletsjertong vol scheuren en breuken, vol ijsval en morainekeien, is nog uniek.

Het is alsof we na de pauze de verkeerde filmzaal inlopen. Na uren draaien en tollen op de spectaculair wringende wegen door het druipend vochtige, subtropische oerwoud is het ineens over. Een kilometersver reikend gortdroog heuvellandschap ligt voor ons. We zijn de waterscheiding tussen "west"en "oost" gepasseerd. Hier domineert ineens niet meer de in de natte tijd buiten z'n oevers tredende rivier. Ineens schieten de bosbrandwaarschuwingen langs de kant van de weg, van "low" naar "extreme".

Langs de kant van de weg treffen we regelmatig dode Possums (Voskoesoe), ongeveer 80 cm grote buidelratten, boomklimmers met lieve kleine snuitjes en voorpoten maar met een venijnige reputatie. Nieuw-Zeeland heeft er naar schatting 80 miljoen en wil er dringend vanaf. Oorspronkelijk uit Australie binnen gebracht voor pelsfokkerijen vormen ze nu een plaag die met alle macht wordt bestreden. Of ze echt dood zijn is de vraag. Hun Amerikaanse soortgenoot de Virginiaanse Opossum verdedigd zich tegen roofdieren door 4 uur lang "dood" te blijven liggen.

Nieuw-Zeeland viert "Waitangi Day", het is 6 februari. Weer een feestdag, Nieuw Zeelanders zijn er verzot op. Wat er gevierd wordt en vooral door wie is onduidelijk. Het verdrag van Waitangi, het belangrijkste verdrag van Nieuw Zeeland, is in feite nooit door de Engelse Kroon ondertekend. De Engelsen sloten het verdrag om de Maori van al hun eigendomsrechten te ontdoen; eigenlijk gingen ze er van uit dat de Maori toch binnen enkele jaren uit zouden sterven. De Maori geloofden echter dat ze een verdrag sloten waarbij de Engelse Kroon ze verder bescherming zou bieden tegen alle inbeslagnamens van hun grond door de 2000 aanwezige kolonisten en handelaren die woonden in hun Aotearoa. De Maori teksten - acht verschillende fonetische weergaven- van het verdrag luiden dan ook wezenlijk anders dan de Engelse tekst.

Jaren van oorlog met de Engelse pioniers, en later, protest en oproer zijn het gevolg geweest. Pas midden jaren zeventig in de vorige eeuw ontstond er een lichte kentering in het denken. In links-liberale kring begon geleidelijk het besef te ontstaan van ernstig onrecht en misleiding jegens en van Maori. Inmiddels, bijna 40 jaar later, heeft een tribunaal duizenden claims van Maori, hun families en gemeenschappen, beoordeeld, gehonoreerd en schadevergoedingen toegekend. Vergoedingen voor verlies aan land en rechten van soms wel honderden miljoenen dollars. 

Het is moeilijk in te denken wat ze vieren. De Maori, de gerechtigheid na al die jaren? De Nieuw-Zeelanders, de vrije dag? de aanbiedingen bij de bouwmarkt, de supermarkt of de meubelboulevard? Nog steeds hoor ik Nieuw-Zeelanders wat smalend praten over de schadevergoedingen. Het zal nog lang duren voor het echt goed komt tussen de Maori en de Pakeha, de blanke Engelsen, de Nieuw-Zeelanders.

Fjordland, in de zuidwesthoek van South Island, bestaat uit een reeks fjorden die alleen of naganoeg alleen bereikbaar zijn vanaf de oceaan. Maar een paar zijn ook over de weg bereikbaar. Milford Sound; is een "must" volgens de boekjes. De weg erheen vanuit Te Anau is hoewel spectaculair, vooral ook lang. Eenmaal op de bestemming valt het wat tegen. We zijn te zeer verwend met onze Scandinavische fjorden ervaring. Als we de terugweg onderbreken en een stuk gaan lopen en fotograferen valt ons de enorme rijkdom aan varens en mossen op. Binnen een straal van een meter kom ik zes verschillende varensoorten tegen; even later op een steen van nauwelijks 40 cm. doorsnede al vijf verschillende mossen. Iets verderop vind ik zelfs weer andere soorten. Een dergelijke verscheidenheid aan varens en mossen op zo'n korte afstand van elkaar ken ik zelfs niet in onze eigen natuurgebieden. Het ongerept gebied waar we lopen is oorspronkelijk oerwoud; bomen zijn tot ver bovenin begroeid met korst- en baardmossen. De gelaagdheid en afwisseling in het woud, hoog en laag, jong en oud, bomen en struiken ongestructureerd door elkaar; het is imponerend. Hoewel ongestructureerd, eigenlijk is deze chaos vooral de geordende structuur van het "oer"regenwoud.  

Fjordland achter de rug, komen we in de zuidelijke streken van Catlins, Mackenzie en Canterbury. Het is fris langs de zuidkust. De zuidelijke wind, zo vanaf de oceaan, rechtstreeks vanaf Antarctica is koud. Het effect van de snoeikoude wind is duidelijk. Honderden bosschages van scheefgegroeide, door de windgeschoren bomen en struiken staan langs de weg, als fietsers hangend tegen de wind op weg naar huis.

De landbouwgebieden waar we doorheen rijden richting Invercargill en Dunedin worden afgewisseld met woestogende rivierbeddingen en weldadige groen boszones. Hoewel zo op het oog wat saai is het toch vooral lieflijk, dit landschap vol witte en groene dropjes; de samengepeste grasbalen die schijnbaar ongeordend over de weiden lijken te zijn uitgestrooid.

Pinguins, walvissen, dolfijnen, zeeleeuwen; een van de aantrekkelijke kanten van South Island wordt gevormd door het dierenleven rondom. Na de zeeleeuwen bij Westport, gaan we langs de zuidkust opzoek naar de pinguins. Met moeite lukt het ons, zo tegen de avond, vanuit een vogelhut er vier, "Yelloweyed" het strand op te zien waggelen; te ver om te fotograferen. We zijn verwend met onze Patagonische ervaring; duizenden pinguins, dolfijnen en zeeleeuwen hebben we eerder gezien. Uren rijden we dicht tegen de kust met z'n verscheidenheid aan rivieren door de wetlands, bij ons de rijke vogelgebieden, hier is het bijna of ze zijn uitgestorven. Pas later in de reis, aan de noordoostkant van South Island ontdekken we dat het anders kan zijn.

Ooit werd Nieuw-Zeeland omringd door honderdduizenden zeeleeuwen en robben. Het koude Antarctische water gaf ze volop voedsel. Nu, een paar honderd jaar later, zijn er nog maar weinig. De jacht is nu verboden. Terwijl we rondreizen zien we een opsporingsbericht; er wordt gezocht naar degene die bij Otago Peninsula er een heeft doodgeschoten. Ooit waren het de Maori die er met hun scherpe speren duizenden per jaar afslachten; rond het begin van de 19e eeuw waren het de pelsjagers die de jacht aanvoerden. Tienduizenden verloren het leven; hun pels was in de "beschaafde" wereld ruim gevraagd.     

We keren terug naar de Southern Alps, vanuit het oosten dit keer; op weg naar Aoraki/Mount Cook, de hoogste berg van Nieuw-Zeeland. Aoraki/ Mt Cook, een berg met een dubbele naam. De berg, of eigenlijk het hele massief waar ook de Fox en de Franz Josef gletsjer deel vanuit maken, ligt precies op de breuklijn waar de Australische plaat de Southern Alps opstuwt over de plaat waar de rest van South Island op ligt. Het massief kent meer dan 20 drieduizenders en wordt voor bijna 40% bedekt met gletsjers; een waar klim en toerparadijs. De Southern Alps, voor de Maori hebben ze een bijzondere betekenis, Te Katiritiri O Te Moana, Schuim der Zee. Het Maori-verhaal gaat dat toen de hemelse kano met de zoons van Raki, Vader Hemel, omsloeg in de branding bij het verlaten van de oceaan, een aantal zonen op de hoogtse kant klom. Ze veranderden in steen, de hoogste pieken van de zuidelijke Alpen; de hoogste Aoraki, Wolksplitser/Wolk in de lucht.   

Het zijn wilde woeste jongens die gletsjers van de Southern Alps. Zeker vergeleken met de traagstromende ijsmassa's in het Europees bergland is de stroomsnelheid en elasticiteit van de gletsjers groot. Dagelijks verandert het beeld en het risico van de ijstong. Zo ontstond 30 jaar geleden het gletsjermeer onder bij de gletsjer tong pas. De Tasmangletsjer en de Hookergletsjer, twee van de belangrijkste gletsjers aan de oostzijde van Mt Cook hebben maar 10 jaar nodig om sneeuw en ijs verzameld bij de top tot onderin bij de gletsjertong te brengen. Het gletsjermeer lig vol verse ijsbrokken, sommigen zo groot als een personenauto; opbrengst van de laatste paar dagen.

Mt Cook, Nieuw-Zeelands hoogste berg is ook voor de "nieuwe Nieuw-Zeelanders" bijna mythisch. Ze is vernoemd naar de -tweede-  ontdekker van het land, Capt. Cook. Gelukkig is voor Tasman ook een top gereserveerd; de ena hoogste, vlak er achter. De Southern Alps, Mt Cook, het is het massief waarop Nieuw Zeelands helden opgroeien. Talloze latere berghelden, Edmund Hillary voorop leerden hier het vak met eerste beklimmingen op de ijzige brokkelige bergkammen, voor ze de zeven en achtduizenders elders bedwongen.     

Het blijft verrassen, de drukte om ons heen. Terwijl Nieuw-Zeelanders het regelmatig over druk hebben; logisch bij de belangrijkste berg van het land, in het hoog seizoen, blijven wij ons verbazen over lege wegen en parkeerterreinen. Onze Europese norm, gekleurd door urenlange files naar het strand en massief volle snelwegen in de ochtendspits lijkt bijna haaks te staan tegenover de Nieuw-Zeelandse norm; druk als je ergens niet meer als enige kunt zijn. Het is druk bij Mt Cook, maar liefst 50 auto's - er is plaats voor het drievoudige- staan geparkeerd voor de 11 beschikbare trails.

De aanloop naar de gletsjertong is eenvoudig. Het landschap, nauwelijks 12.000 jaar oud, is afwisselend. Overal om ons heen moraineresten; oudere al wat begroeid, jongere nog volledig onbedekt. In tegenstelling tot de Fox en de Franz Josefgletsjer waarbij we over de eindmoraine liepen loopt het pad nu over de zijmoraine. regelmatig moeten we omhoog en omlaag om het spoor te blijven volgen. In de beschutte kommen achter de oude moraines, als de gletsjer zich een tijdje snel en abrupt heeft teruggetrokken, ontwikkelt de begroeiing zich welig. Zo komen we zelfs in dit alpiene landschap weer volop vochtminnende varens en mossen tegen tussen de keien en kiezels. Aan de andere kant is ook het aantal bloeiende planten, sommigen met grote vlezige bladeren, bestand tegen de uitdroging, verrassend groot. Terugrijdend valt ons pas op hoe breed ooit de gletsjer zich door het dal heeft geperst. Een gele wuivende vlakte vol halmen reikt tot ver achter de horizon.  

De grote afwezige, om ons heen zweven talloze roofvogels, is de Kea; we zijn er veelvuldig voor gewaarschuwd. Ze laten zich helaas niet zien. De enige bergpapegaai, van Nieuw Zeeland, romplengte van meer dan 50 cm, is een beruchte en gewelddadige rover. Lunchpakketten, fototassen, zelfs autospiegels, radioantennes en portierrubbers verdwijnen onder zijn opdringerig gedrag. We zijn er pas een keer één tegen gekomen; zodra hij/zij opvliegt is het toch schrikken. Snel de auto in; beter geen foto, dan onze Canon in z'n nest. 

Het stroomt van de regen als we wakker worden op Arthurs Pass. We blijven nog een dag; de plicht roept, we controleren de drukproef. Via Arthurs Pass, Greymouth en Lewis Pass zigzaggen we naar Hamner Springs en Kaikoura. We proberen de regen voor te blijven door dan weer aan de drogere oostkust te zijn en, zodra het weer omslaat, de westkust te doen. Het lukt maar matig. De eerste 2-3 weken van onze tour hadden we circa 1x per 5-7 dagen een regen dag; inmiddels is dat gegroeid naar 1x per 2-3 dagen. We beseffen het nog niet, maar de herfst komt eraan. De veelgeprezen Arthurs Pass -"een zware tocht; campers en caravans kunnen hem beter mijden" -valt ons wat tegen. Is dat nu alles? vragen we ons even af. Lewis Pass is wat ons betreft boeiender.

Uiteindelijk, aan de noordoostkust, pikken we de zon en de droogte weer op; voor een paar dagen. Het zijn vooral toeristische routes die we rijden, glooiende heuvels, wijngaarden, een lieflijk landschap. Onze virtuele jacht op Nieuw-Zeelands wild krijgt eindelijk resultaat. In drie verschillende National Parcs aan de noordoostkust lukt het eindelijk om een overschot aan vogels, zeeleeuwen en dolfijnen te spotten. Iets buiten Kaikoura loopt een kustpad over de kliffen. Het resulteert na een uur klimmen en klauteren in bijna 100 zeeleeuwen; hele gezinnen lekker in de zon. De volgende dag op weg naar Blenheim passeren we naast de weg in een aantal bochten en baaien weer hele groepen zeeleeuwen; veel jongen, spelend in de zonverwarmde laagwater poeltjes. Even later komen we ook twee kuddes dolfijnen tegen; een twintigtal bottlenose dolfijnen springt op kijkerafstand voor de kust. De dag is compleet als we even later in de 5000 jaar oude lagune bij Blenheim tientallen vogels spotten, alleen de beloofde lepelaars ontbreken, in het wetland reservaat. 

Het is gek, maar als ik op een dag ons organisch afval weg wil gooien, realiseer ik me ineens het "dubbele"in de afvalscheiding in Nieuw Zeeland. Alles, papier & karton, plastic, glas, blik, alles heeft z'n eigen afvalbak; alleen niet het organisch afval. Alle organische resten, zeg maar GFT, gaan gewoon de algemene "rest"afvalbak in; non-recycle. Notabene dat wat in Europa het eerst uit het afval is afgescheiden, geldt hier als niet te recyclen. Zouden ze nog nooit van composteren hebben gehoord of zijn ze gewoon bang voor de vieze stinkende bakken in de zomer. Heel af en toe zien we een recyclestation; kun je compost kopen. Misschien is het het zoveelste voorbeeld van de Nieuw-Zeelandse angst voor weer een nieuwe ziekte die wordt verspreid.

Een nieuw front met regen en wind maakt dat we North Island weer opzoeken; het weer lijkt er iets beter te zijn (denken we dan nog naïef).

Het verbazend - of je moet enig idee hebben van de ontstaansgeschiedenis van Nieuw-Zeeland als Engelse kolonie- hoeveel de Engelse emigranten hun thuisland hebben laten terugkeren in de naamgeving van het land. Ik denk dat als je het zou opzoeken , het aantal straten, pleinen en lanen dat vernoemd is naar steden als Welllington, Christchurch of Auckland ver in de minderheid is ten opzichte van streken, steden en plaatsen als Cornwall, Devonshire, Canterbury, Whitby, Hastings, Manchester of Windsor. Is het heimwee, of ontroerd terugdenken, wie zal het zeggen? Heel af en toe komen we een duidelijk andere nederzetting tegen, heeft een ander volk zich gevestigd; heet het in eens Dannevirke en staat het vol Deense namen. Alleen de kleine plaatsen zijn anders vernoemd; Maori namen van welleer. Bijna onuitsprekelijke namen als Pakipaki, Pukahu, Mangateretere, Whakatu of Kohupatiki en Waiohiki. Hier hebben de Engelsen zich niet gevestigd; geen behoefte gehad terug te denken aan thuis.

Op South Island, kwamen we nauwelijks kerken tegen, noch de meest bezochte Anglicaanse kerk, noch een van de kleinere kerken. Eenmaal op North Island valt het ons op, zeker ook na het grote aantal goed onderhouden kerken in de Pacific, dat ze er weer staan. Klein, goed onderhouden, op eigen grond en van een bouw - de meeste zijn van hout, met een centrale spitse klokkentoren op de nok aan de voorzijde- zo weg gehaald van het Engelse platteland; decor uit een filmset. Alleen de kerk in het Deense Dannevirke is anders; gehouwen uit grof gesteente, een pronte vierkante verdedigingstoren in het front. Een kopie van de "viking"kerken die we op Bornholm aan troffen. Ook andere kerkgenootschappen zijn vertegenwoordigd. Regelmatig treffen we naast de Katholieke kerken ook Baptisten, 7e dagsadventisten, de Jehova's, Mormonen en Methodisten aan met hun goed onderhouden kerken.

North Island heeft een Maori gemeenschap die vele malen groter is dan op South Island. Onderweg passeren we, soms zelfs op het zelfde terrein als de lokale kerk, veel Marea. Meer dan op de Pacifische eilanden heeft de Marea hier nog de functie als Maori "ontmoetingshuis". Lagen ze in Polynesië er nog vaak als archeologisch overblijfsel, waren ze op Samoa, anders dan als "Fale" gewoon verboden door de "bekeerde" Chiefs, hier op North Island vormen de vaak rijk versierde, vol rituele afbeeldingen uitgerustte ontmoetings en gebedshuizen een belangrijk element in de Maori "renaissance". Wat opvalt aan de meeste Marea is het fraaie houtsnijwerk. De kwaliteit wisselt maar topstuk is toch telkens weer de afbeelding boven aan de daklijsten op het dak; vaak een afbeelding uit de Maori mythologie die teruggaat naar de voorouders, de goden en de middelen van bestaan. Het houtsnijwerk dat vanuit het snijpunt van de daklijsten langs de daklijste naar beneden loopt symboliseert de twee benen waartussen nederig, "gebogen", het gebouw betreden kan worden. De stand van de benen die zo'n grote rol speelt in de Haka, de krijgsdans die het Nieuw Zeelands rugbyteam uitvoert om de tegenstander te imponeren.

Hij had het niet slechter uit kunnen kiezen, James Cook de -tweede- westerse ontdekker van het land. Hij zet zijn eerste stap op Nieuw-Zeelandse bodem, verder is hij nauwelijks gekomen, precies op de plaats -heilige grond- waar de Maori vieren/gedenken dat hun voorouders met hun Waka (dubbel kano) vanuit Polynesië het land zijn binnen gekomen en uitzwermden over North Island; precies onder een Pa, een Maori verdedigingsfort en een marea. Hij schiet meteen zes Maori dood die hem lijken te bedreigen. Niet handig deze eerste westerse entree na Tasman, hij schoot er maar vier. Onder de Pa, aan de rand van Gisborne, treffen we de marea waar het allemaal om begonnen is.

Cook verliet de baai spoorslags na eerst Banks en Sollander, de botanici aan boord nog snel de kans te bieden een groot aantal planten en vogels te beschrijven. De missie om voedsel en water in te slaan was mislukt; de baai kreeg van Cook de naam "Poverty" bay.

Captain James Cook is voor de "blanke" Nieuw-Zeelanders, de Engelsen, een ware held. In Gisborn, in de oksel van Poverty bay, wordt hij gevierd en herdacht. Standbeelden, plaquettes, alles is uit de kast gehaald om de zeeheld te herdenken. Een van de beelden van Cook in Gisborne staat boven op de heuvel van de Titirangi Pa. Men beweert dat het weinig gelijkenis vertoont. Het is een gift, een kopie van een beeld elders, Niemand weet wie het echt voorstelt. De plaquette begint met de woorden "The beginning of the New Zealand nation took place within sigth of this outlook... Het is niet verwonderlijk dat de Maori ontevreden zijn, voorzichtig gezegd, met het hele Cook"circus". Een wrange geschiedsvervalsing! De plaquette rept van de Endeavour, Cooks schip, nergens wordt de eerste Maori"waka"genoemd die juist hier Aotearoa aanliep en ontdekte; een plekje groen in de grote witte wolk. Het beeld staat op belangrijke Maori grond; de plaquette op het beeld eindigt met de woorden: Who was he? We have no idea! Bij de totstandkomen van de tekst is door de Maori lang over deze laatste woorden nagedacht. Misschien symboliseren ze wel precies waar het voor hen omwringt. Deze "Witte"man, deze Pakeha, zegt hun niets. Het enige dat ze weten is dat nadat zij zich over heel North Island hadden verspreid, ook de Pakeha, hun Aotearoa, hun land van de Long White Cloud gingen bezetten; voor hen de Wrong White Crowd. 

De officiële gedenknaald van Cook staat verstopt. Op de plaats waar hij 243 jaar geleden aan land kwam ligt nu een industriehaven vol chemische fabrieken, houtoverslag en scheepskades. Met moeite is rondom de ingeklemde gedenktekens een plantsoen vrijgehouden, ingeklemd tussen al dit industrieel geweld. Cook zit in de knel; ooit keek hij boven op de heuvel uit over de baai. Nu staat er een grote zendmast met mobiel telefonie antennes. Het leven gaat verder, de tijd heeft hem ingehaald.  

Als we Tauranga binnen rijden ligt voor ons de Bay of Plenty. Hier vond Cook alles wat hij zocht, meer dan dat zelfs; hij gaf de baai z'n uiteindelijke naam. Wat wrang is dat op 4 oktober, in de zelfde storm waarin wij Nieuw-Zeeland binnen liepen, het containerschip Rena in de Bay of Plenty op een rif liep. De grootste milieu ramp in de Nieuw-Zeelandse geschiedenis was een feit. Nog steeds lekt het schip olie, de containers chemische stoffen. Met recht "Plenty" maar dan wel meer dan genoeg.    

Het is midden 20e eeuw, de Koude Oorlog staat er aan te komen, als een Nieuw-Zeelander, William Douglas Cook -weer een Cook- bang wordt dat door een atoomaanval heel Europa zal worden weggevaagd. Als het ooit tot een atoomtreffen tussen de mogendheden uit die tijd komt, dan zal dat zeker op het Europees slagveld gebeuren was in die tijd de overtuiging. De Derde Wereldoorlog was nabij. Wat nu, vroeg hij zich af als heel Europa wordt weggevaagd, als er nooit meer een esdoorn, een eik, madeliefje of vergeet-me-niet bloeit; kortom als de hele flora en fauna van het Noordelijke Halfrond is verbrand, weggevaagd of gemuteerd. Op zijn boerderij in de heuvels vlak bij Gisborne, op een stuk grond van 135 hectare, begint hij, bang voor de nuclaire nachtmerrie, alle denkbare Noord-Europese plant en boomsoorten te verzamelen. Nu is het een uniek Arboretum, Eastwood Hill, het grootste in z'n soort op het zuidelijk halfrond. Overigens, begon hij z'n verzameling al rond 1915; een vooruitziende blik, geïnspireerd door de slag tussen de mogendheden in de Eerste Wereldoorlog.    

Een van de positief opvallende zaken in Nieuw-Zeeland, is het grote aantal schone openbare toilet gelegenheden. Geen dorpsgemeenschap zonder zo'n voorziening; goed onderhouden alsof ze hem zelf schoon maken.

Het lijkt wat tegengesteld voor Nieuw-Zeeland, land van ongekende mogelijkheden. Hoewel voor specifieke groepen de grenzen nog openstaan, de economie is "booming" -Nieuw-Zeeland verwacht als enige land ter wereld nog 40 jaar onstuimige economische groei en hoogtij te hebben- raakt het platteland ontvolkt. We rijden dwars door Eastland, de grote oostelijke lob halverwege North Island. Kilometers lang is er geen dorp te bekennen. De "gorge"waar we doorheen rijden is ongekend mooi met loodrechte rotswanden en peilloze rivieren. Dan neemt geleidelijk aan het aantal Sale-bordjes toe. Hele bedrijven, boomgaarden, losse stukken land genoeg voor een hele wijngaard, van alles is er te koop. Als we het dorp inrijden, is het een spookdorp. Zeker de helft van de huizen is bouwvallig of in elkaar gestort; in het beste geval is onderhoud enn herstel dringend nodig. Ergens piept een deur; een halfvergane Cola-reclame prijkt op een ruit. Alleen de slager bestaat nog; althans in naam, op z'n winkelruit. De supermarkt, het café, niets is meer terug te vinden. Het spookdorp -als of het een westerndecor is- roept herinnering op aan betere tijden.

Alleen de benzinepomp bestaat nog, de laatste in 100 kilometer; een Winkel van Sinkel, een combinatie van supermarkt, garen & band en café. Het lijkt of alles wat ooit was, er is verzameld.

Als we wegrijden valt de nieuwe school en de mooie Maorikerk op, resultaat van een Waitangi schadevergoeding? Ze zijn nog in gebruik; dat wel, maar voor hoe lang nog?

Het is een apart fenomeen, een land van ongekende mogelijkheden, maar wel met een ontvolkend platteland. Een land dat ooit te boek stond als mondiaal leverancier van wol, vlees; van fruit en melkprodukten. Een land ooit gegrondvest op de bedrijvigheid van het platteland. Een land nu van steden. 86% van de bevolking woont in stedelijke gebied. Steden waar de druk van de bevolkingstrek "noordwaarts" zich iedere dag laat voelen. Het is verrassend, het beeld van de ontvolkte dorpen. Een beeld, in Europa, bekend in Scandinavie, op het Franse platteland, in de uitgestrekte regio's in Oost-Europa.

Werkeloosheid, racisme, armoede. Nieuw-Zeeland staat voor een nieuwe uitdaging. Zolang de economie groeit, zolang de behoefte aan arbeid blijft bestaan zal de samenleving de nieuw stedelingen opvangen; keert het tij dan zal ook in de samenleving het tij keren. Regelmatig spreken we Nieuw-Zeelanders, merkbaar met moeite de niet-blanke landgenoten te aanvaarden.

De rondreis inspireert. De confrontatie tussen de oorspronkelijike Nieuw-Zeelanders, de Maori, en hun nieuwe landgenoten; de kolonisatie van het land, de gegroeide cultuur. We nemen de tijd het te beschrijven. Langzaam krijgt de verwondering vorm, groeien de verhalen; stof voor het volgende boek.

Het gutst van de regen als we Tauranga achter ons laten. Pas als we anderhalve dag later weer in Whangarei onder de boot staan droogt het op.

We werken 12 dagen stevig door om de boot klaar te maken voor onze gasten -antifouling afmaken, boot te water, zeilen erop- voor we weer op reis gaan. Tussen de bedrijven door regelen we veel; de ankerketting wordt gegalvaniseerd, bijboot met gloednieuwe beschermhoes opgehesen onder de beugel, stuurautomaat wordt gerepareerd. De avond voor we te water gaan pikken we een computervirus op. In minder dan een minuut start de navigatiecomputer zich twee keer op, schiet het scherm op zwart en lijkt alles gewist (eigenlijk is het verborgen, maar dat weten we nog niet). We durven de reserve laptop niet goed meer aan te sluiten, de schrik zit er stevig in, en vallen terug op de 11 jaar oude studielaptop van Moniek, de alleroudtse aanwezige reserve computer.

Het is laat op de avond als we Owen en Moniek na meer dan een dag vliegen in onze armen sluiten. Een half uur later, op de hotelkamer, is het ijs al weer gebroken en springt en danst Owen op het grote bed.

De volgende dag gaan we op weg. Een middagslaapje vind hij niet meer nodig -zal bijna de hele rondreis zo blijven- zo veel indrukken heeft hij op te doen. Ook in de avond zit hij nog vol indrukken; maar zelden lukt het Moniek hem vroeg in bed te krijgen. De eerste dagen genieten we van het mooie weer dat we ook in Whangarei al hadden. Voetballen, naar het strand, de speeltuin verkennen; Owen heeft voortdurend wat te doen. Dan haalt het slechte weer ons weer in.

Als in Nederland een weg wordt afgesloten zit er niets anders op dan even om te rijden. In Nieuw-Zeeland is dat niet veel anders, alleen als een grondverschuiving de weg van Whakatane naar Gisborne bedelft; in de prachtige "gorge" waar we twee weken daarvoor genietend doorheen reden, is goede raad duur. Net waar het ravijn het diepst is en de weg het smalst; verwachtte versperring, twee maanden. Onwetend van dit onheil staan we aan het begin van de weg; het is opvallend rustig. Er zijn twee omleidingsroutes; een van 350 kilometer (6 uur) en een kortere van 250 kilometer over grotendeels ongeplaveide weg. We nemen de lange route en rijden om de hele "Eastcape". De route is mooi, eenzaam en afwisselend. Halverwege onderbreken we -Owen wil ook wel iets anders dan een autostoeltje- en brengen de nacht door in Mareahako Bay. Een wonderlijk paradijselijk "Pipi Langkous"huis vol trapjes en verborgen kamertjes. Owen oefent dat het een lust is; trap op, trap af. Iedere dag/twee dagen een nieuwe omgeving; Owen is fullltime bezig met wennen en verkennen. Hij aarzelt en verkent, pikt het dan op en zit al snel in het bravour stadium; een brug te ver.

Eigenlijk zijn wij funest voor de opvoeding. Wij vinden z'n limonade te waterig en doen er een extra scheutje siroop bij; niet de bedoeling dat is duidelijk. Dan richt Christien haar blik op Owen z'n Crocs; ze vindt ze wat aan de kleine kant. Geen nood, ze laat ze gewoon na een lunchstop achter in het bos; weer niet de bedoeling, zeker als ze ook Monieks "Birkenstocks" er naast laat staan. De volgende dag besteden we aan een zoektocht naar nieuwe sandalen, een maatje groter; hij is er trots op. Voor de schoenen van Moniek moet de oplossing nog gevonden worden.   

Grondverschuivingen. aardbevingen en vulkanen -op onze weg van Tauranga naar Gisborne, rijden we langdurig langs White Island, de levendigste vulkaan van het land. Gelukkig is de 30 kilometer verderop liggende vulkaan nu een vriendelijke puffende stoomlocomotief- het wijst ons voortdurend op de navel van aardwording waarop we ons bevinden.

We willen er niet aan geloven, maar de herfst is echt ingetreden in Nieuw-Zeeland. De laatste dagen van onze rondtrip met Moniek en Owen wisselt het weer dagelijks; dan weer lopen we in korte broek, maar zijn de nacht vrieskoud, dan weer gutst het van de regen en probeert Owen z'n laarzen uit.

Als we Gisborne verlaten, gaan we eerst op zoek naar de marea die weer twee weken daarvoor ook al bezocht hebben; de ongewoon mooi versierde marea is een van de fraaiste van het land. Dan rijden we het land van de geisers en vulkanen verder in. We zijn op weg naar Taupo en Rotoroa. De weg is mooi, maar de "wilde" geisers zijn getemd. De ene helft is afgedopt en voorzien van pijpleidingen en turbines om stadsverwarming en energie te generen; de andere helft is opgesloten achter de hekken van een pretpark; te bezoeken tegen westerse toeristen  prijzen.   

We eindigen na een aantal dagen in Otorohanga en brengen de ochtend door in het Kiwipark. Owen geniet en -14 dagen later- leert zelfs al Kiwi zeggen. 

Het weer ziet er voor de laatste dagen van het verblijf van onze gasten slecht uit. We besluiten naar Whangarei te rijden en nog wat tijd aan boord door te brengen; uiteindelijk wacht de "geinfecteerde" en leeggewassen navigatiecomputer nog op herstel. We plannen wat te gaan varen met de kano, spelen met de bijboot, de speeltuin te gaan verkennen.

Moniek en Owen treffen het slecht. De atmosfeer is roerig. Nauwelijks binnen - we varen één keer met Owen naar de speeltuin aan de overkant- begint het te regenen. Een zich sterk verdiepende tropische depressie stort zich over ons heen. Vijf dagen stortregent het. In twee dagen valt meer regen dan in 3 maanden. Slechts eenmaal per jaar trekt een uit het spoor geslagen tropische depressie met orkaankracht en rivieren vol water over North Island heen. Wegen overstromen, huizen waaien weg bomen worden omgeblazen en de rivier waarop we liggen stijgt tot aan de kaderand. Na een paar uur liggen we omringd door bomen, takken, wrakhout en vuilnis ingesloten aan de steiger.

Terwijl we de natte rommel proberen te drogen, heeft Owen dikke pret. Onvermoeibaar stampt hij door de plassen; telkens weer wil hij z'n zwemvest aan; op weg naar buiten.

Terwijl Christien en Owen de regen trotseren, stort Moniek zich op de virusgecrashde computer. Met veel inzet - en terugkoppelen naar Lennart- slaagt ze erin de data gedeeltelijk te redden en de programmatuur weer te installeren.

Het vertrek naar Auckland valt moeilijk. Als alles klaar staat om door de regen naar de auto te worden gebracht blijken de autosleutels onvindbaar. Er zit niets anders op dan nieuwe autosleutels te laten maken.

Met pijn in het hart nemen we afscheid van ze en rijden in de regen, nog steeds!, weer terug.

Het wisselvallig weer blijft aanhouden. We beginnen aan de laatste voorbereidingen; de laatste lijstjes worden doorgenomen, de bestemming voor dit jaar en, ruwweg, de periode daarna, wordt bepaald.

Op 14 april duwen we af. We verlaten Nieuw-Zeeland op weg naar Nieuw Caladonie.    

 

Nieuw-Zeeland; Meer Foto's


Zie ook het Zeelog voor de eerste impressies en posities die we tijdens de reis al met de HF-zender op de site hebben gezet.

Op deze pagina rust auteursrecht; gebruik van delen alleen na toestemming van de auteur.