Rhythm of Life onderweg

2008200920102011

Rondreis NZNieuw CaledoniePNGIndonesieMaleisiŽ

Op weg naar ....... IndonesiŽ

Het waait hard als we vertrekken uit Port Moressby. We zouden het vertrek liever nog een paar uur hebben uitgesteld. De hete adem van de douaneofficial dwingt ons gevoelsmatig meteen weg te gaan. De nieuw aangepaste regel van de douane -vertrekken binnen 24 uur- blijkt ter plekke te zijn veranderd in "onmiddelijk"; na onderhandelingen van Christien, de avond ervoor, weten we er 12 uur extra uit te halen; meteen nadat het licht wordt.

Wind en stroom maken de weg door de rifuitgang de eerste uren onaangenaam; de zee is kort en knobbelig. Pas op de oceaan krijgt de boot zijn ritme. Geleidelijk neemt de wind toe naar 7-8 bf. Tegen de avond varen we alleen nog maar op de tot half gereefde kluiver.

In het stikkedonker- het lijkt er soms op dat alles altijd pas gebeurd in het donker- hoort Christien een harde knal en meteen, een geweldig geklapper. In no-time ben ik uit mijn kooi. Een golf tegen de steven? hebben we iets geraakt? Als we de dekverlichting aandoen zien we de oorzaak. De bevestiging van de grote voorzeilroller aan het voordek is losgeraakt. Een meter of drie van de boot slaat de losgeslagen roller, aan de rollijn, met een half ingerold zeil oorverdovend in de wind. Twee uur lang voeren we een gevecht op het voordek; dan is het gelukt het zeil helemaal te ontrollen en uit de gleuf van de "stag" naar beneden in de oceaan te laten zakken en weer meter voor meter aan dek te krijgen en vast te zetten. Voorlopig borgen we de rolinstallatie zodat verdere schade wordt voorkomen en we bij daglicht de volgende dag verder maatregelen kunnen nemen. Een van de vallen wordt snoeistrak doorgezet naar het beslag op het voordek om de zwalkende mast wat te ondersteunen. 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geschaafd en gewond rollen we na 2 uur het kotterzeil, het zeil op de kleinere rolinstallatie een stukje uit, zodat we weer verder kunnen varen. Als het licht wordt durven we er pas wat grootzeil bij te zetten en lukt het om de grote roller beter vast te zetten en te ondersteunen. Kreupel zoeken we verder onze weg. 

De slingerroute door de Torres Street langs Thursday Island, het smalste punt in de landtong die onder water Nieuw Guinea met Australie verbindt, treffen we in de avond; de overmaat aan lichtjes, de grote scheepvaart, al het radioverkeer; we zijn het niet meer gewend. De wind is inmiddels weggevallen, we varen op de motor.

Een aantal uren later, de nieuwe dag is aangebroken, valt ineens ons volledig 12 volt systeem uit; geen autopilot, geen radio, geen verlichting, geen navigatieinstrumenten, geen marifoon. We dobberen richtingloos op de Carpentura Gulf. Pas na een aantal uren zoeken, meten en uitsluiten is de oorzaak gevonden. Een defecte hoofdschakelaar, zo ongeveer het enige dat we niet als reserve bij ons hebben. Voorzichtig - de oceaan rolt ons heen en weer- verbinden we de polen door zodat alle apparatuuur weer werkt. je moet er niet aandenken dat zo iets ons 8 uur eerder bij Thursday Island zou zijn overkomen.  

De wind loopt steeds verder terug in het begin van de week. Met een schuin oog naar de mast en vingers aan de -slappe- verstaging ruimen we het grootzeil tot het eerste rif. Verder durven we niet te gaan. De slappe mast, zo zonder voorstag, proberen we te ontzien.

De dagen rijgen zich aan een; het grootste deel van de route door Torresstrait en de Arafura zee varen we op de motor; er is nauwelijks wind en met onze zwalkende mast is langdurig op de deinig rollen ook geen aantrekkelijke zaak. Dagelijks vliegt een vliegtuig van de Australische kustwacht vlak over ons heen; vijf minuten later gevolgd door gekraak op de radio. Naam van de boot, laatste  haven, bestemming. Pas als we Timor naderen kom ie niet meer over. We zijn als "gevaar" voldoende geweken. 

De laatste nacht, vlak onder Timor, komt de lang verwachte wind eindelijk weer terug; stevig en heftig; al snel varen we weer op het vierde rif. Zelfs zo lopen we nog veel te hard. We willen niet in het donker aankomen. Uiteindelijk lopen we met alleen een gereefde kotterfok tegen de ochtend bij Timor aan.

Als we in de loop van de ochtend voor anker gaan kunnen we eindelijk opgelucht adem halen.

IndonesiŽ is het grootste moslimland ter wereld; nauwelijks ligt het anker erin, we vieren onze aankomst nog aan de koffie, of de iman zet al in. Onmiddelijk wordt hij gevolgd door z'n collega's. Een oproep estafette, alsof het stokje steeds opnieuw wordt doorgegeven klinkt. Vijf maal per dag klinkt de oproep; in de loop van de week gaat het deel worden van onze gewenning.

Het havenfront van Kupang, afgezien van de ketting van elkaar toe zingende moskeeen, is weinig fraai. In de loop van de eeuwen is een stenen en betonnen vestingwerk ontstaan op de plaats waar land en zee elkaar ontmoeten; waar lava en koraal afwisselen met zandstrandjes. Twee keer per dag neemt de zee bezit van het strand en slaan de golven om de voeten van de gebouwen. 

De eerste dag levert gedwongen rust; het inklaren moet nog beginnen, onze "agent" die het inklaren in dit land van ritselen en cadeau's moet begeleiden reageert pas na een dag op onze oproep. Toch nog maar een dagje eten uit de blikjes dus. De dagen daarna worden stukjes bij beetjes gevuld met het inklaren. Uiteindelijk hoeven zelfs het seinpistool en alle lichtkogels niet verzegeld te worden, alle Indianen verhalen en waarschuwingen ten spijt.

Het wordt bijna eentonig dit jaar, maar de dagen vullen zich weer volledig met reparaties. De grootste klus, het weer aan dek bevestigen van de grote rolinstallatie lukt pas aan het eind van de week. De ankerplaats is heel onrustig; op een stampend schip is het bijna niet mogelijk de mast verantwoord losser te zetten en voorover te kantelen.

We maken de lieren weer gangbaar, doen een aanpassing in de generator, herstellen de solenoid die de autopilot in zijn vrij moet zetten, vervangen het bovenlager van het roer. Inmiddels regelt Christien ook alle clearance papieren voor als we, over twee maanden, weer uit Indonesia willen vertrekken. Alleen de stempels en handtekeningen van de officials in Bantam, laatste plaats in Indonesia, moeten er dan nog op. Zou mooi zijn als dit allemaal gaat werken. Scheelt weer wat kado's her en der.

De eerste kennismaking met Indonesie is luidruchtig; lange rijen scooters en brommers - we kennen ze nog uit Hanoi, Vietnam- vullen luid toeterend de straten. Overal winkels en eettentjes, je kunt het zo gek niet bedenken. Tot laat in de avond genieten we, tussen de moskeeoproepen door, van de claxons van de bemos (taxibusjes) en de feestverlichting op de auto's. 

Is het clandestien? In een bijna geheim aandoende operatie krijgen we in twee porties 360 liter diesel aan boord. Laat in de avond, geen licht mag aan, worden de vaten aan boord gezet; wel 15% minder gevuld dan we gevraagd hebben maar nog steeds voor een prijs waarvoor in Nederland rijen voor de benzinepomp zouden staan.

Pas na dagen lukt het veilig de mast te kantelen en de voorstag en roller weer aan dek te bevestigen. Het lijkt mooi de roller weer strak opgespannen voor de mast, nader onderzoek leert echter dat het profiel door al het slaan en buigen zo is beschadigd dat er geen zeil meer in kan worden gehesen. Vermoedelijk duurt het tot in Thailand volgend jaar voor we er wat aan kunnen (laten) doen. Een stevige domper op de feestvreugde.

Na bijna een week Kupang lichten we het anker en vertrekken voor het klassieke schoolrijtje, in omgekeerde volgorde Bali, Lombok, Sumbawa, Komoren, Sumba, Timor; alleen Flores laten we schieten. Het plan om Sumba aan te lopen mislukt. De ankerplaats ligt vol in de wind en ligt ver naast de beoogde positie; een gevaar om te proberen te ankeren. We zeilen door naar de Komoren; een nacht verderop. De aanloop in het vroege ochtendlicht van de eilandengroep tussen Flores en Sumbawa, laat bergen en eilanden zien met een hoog Scandinavisch en Patagonisch karakter. De hele dag blijven de stijgingswolken hangen. We ankeren in een baai bij een piepklein eilandje; een van de vier waar de Komodovaranen huizen, de vier-meter lange laatste nazaten der DinosauriŽrs. Even twijfelen we of ze ook kunnen zwemmen. De hele dag speuren we met de kijker het strand, 200 mtr verderop, af; we zien niets. Tegen de avond komen vier Timorherten drinken; zeker een half uur brengen ze ongestoord door op het strand.

Het contrast met Kupang is overweldigend; alleen de windgenerator verstoort de stilte. Wel iets anders dan de permanente ruis van lawaai, toeterende auto's, knetterende brommers die ons vergezelde in Kupang. Zelfs de iman is afwezig; er wonen maar duizend mensen twee eilanden verder op; verder is er niets, zelfs geen moskee.

 

 

 

 

 

 

 

Twee dagen later, vrijdag de dertiende, is het dan zover, gewekt door weer een nacht vol gierende winden, lichten we ons anker en gaan richting het National Parc. De Komoren zijn bekend van de Komodo Varanen; een prehistorisch uitziende 4 meter lange "hagedis" die liefkozend "Dragon" genoemd. Deze Varaan komt nergens ter wereld verder voor. Rond het warmst van het middaguur maken we een wandeling door het Komodo National Parc, een wereld erfgoed "Nature" van de bovenste plank. De vier meter lange Komodo Varaan, giftig speeksel doodt de vijand, een echte vleeseter, ziet er met z'n sluipende gang en lange listige tong inderdaad draakachtig uit; alleen vuurspuwen hebben we ze niet zien doen. De vraag of ze kunnen zwemmen wordt eenvoudig beantwoord; ja, hooguit zo'n 500 meter. Liggen (en lagen) we toch te  dicht bij de oever geankerd. Razend snel verdoven ze hun prooi om deze daarna een paar dagen te laten besterven en rotten voor ze de buit komen op eten. Hun prooi, naast mensen, ook herten, varkens, kleine beertjes en andere zoogdieren; het verhaal gaat dat ze ooit het hondje van een van de bezoekende bootbemanningen hebben opgegeten. Als wij ze zien, scharrelend rond het restaurant van het "basiskamp", zijn ze lui en traag. Genietend in de schaduw, wat opgewarmd door de zon, doen ze een dutje.

Vrijdag de dertiende; de Indonesier is bijgelovig, Goena Goena, de Stille Kracht. Het is een wonder dat op die dag het Nationaal Park nog open is; zoveel onheil dat zal de Indonesier proberen te vermijden. Hoewel, in het park was het opvallend rustig; toch nog bijgeloof? Dit zou de dag geweest zijn voor mijn "Indische" Tante Zus, de zus van mijn grootvader; geen paraplu open in huis, niet onder een ladder door, nooit met dertien aan tafel - twaalf of veertien, dan haal je desnoods iemand van straat-. Neen, op "vrijdag de dertiende", op bezoek bij de "Draken"; dat is de goden verzoeken.

De stroom loeit, tot 6 knoop tegen ons in, als we via de Komoren omhoogvaren van de Timorzee naar de Flores- en Javazee. Een ferme compensatiestroom loopt van de Pacific naar de Indische oceaan, precies tussen de Indonesische eilanden door naar het zuiden. De lichte zuidoosten wind wordt iedere dag, boven de eilanden, rond het middaguur vervangen door een straffe noordwester. Dagelijks varen we bij de eerste dagschemer naar buiten om voor de wind aantrekt rond de middag al zover mogelijk op weg te zijn.

 

 

 

 

 

 

Boven de Komoren profiteren we nog een keer van een mooie en rustige snorkelbaai. Als we het water ingaan treffen we een absoluut prachtig koraal tapijt vlak bij de boot; zeker 90% leeft en is kleurrijk, zowel hard als zacht koraal, wuivend, waaierend en als grote elfenbanken. Tussen door zeeanemonen vol anemoonvissen, elders weer scholen vol lichtgevende en fluoriserende vissen, hoe dieper en dichter bij de boot hoe groter en nieuwsgieriger de vissen. We hebben nog maar zelden zoveel mooie koraal en vissen bij elkaar gezien. Meteen maken we ook maar gebruik de mogelijkheid pokken te schrappen, de schroef te poetsen en de schroefanode te vervangen. Eindelijk kunnen we ook weer eens kanoŽn in ons gele gevaar; de Timor herten op de wal vluchtten in elk geval in paniek weg. We zweven de volgende dag nog een keer boven de prachtig aangelegde koralen; als een Japanse tuin, zo kleurrijk, zo zorgvuldig geschakeerd. Tot een haai de pret bederft. Ik ben al op de terugweg, me van niets bewust; Christien zwemt wat sneller door. Toch maar weer wat gaan schrijven, is toch veiliger. Het middag programma wordt ingekort. Nadat Christien in de ochtend met de kano is omgeslagen -uitstappen is een oefening in evenwichtskunst- leek het goed in de middag eens te gaan oefenen met in en uitklimmen in de kano vanuit het water. Gezien de haai zien we er maar even van af.

Via Bima -markt, eindelijk kunnen we ons vers fruit aanvullen- worstelen we ons verder langs de kust van Sumbawa naar Kilo, Kananga, Pulau Medang en Gili Lawang westwaarts naar Lombok, Medana Bay. De wind -tegen of nihil- speelt ons parten. Soms zijn de drijvende vissersboeitjes maar nauwelijks te zien.

Terwijl Christien naar de markt is stort ik me nog eens op  brandstofvoorziening van de generator. Het lijkt of de matige diesel uit Papua Nieuw Guinea en Kupang ons behoorlijk dwars zit. Filters lopen vol, opvoerpompjes slaan vast; een probleem lijkt zich aan te gaan dienen.  

Kilo wordt maar weinig bezocht, meteen bij aankomst drommen de kinderen met hun boomstam kano's om ons heen. Miss, Mister, pen, book. De eerste tien krijgen een pen, dan zjn ze op. Voor de rest is er niets meer. Al snel, wij zitten stoicijns in de kuip te lunchen, stroomt ook de rest van het dorp uit en liggen we ingebouwd tussen de boomstam kano's.

Gelukkig arriveert in de loop van de middag een andere boot; we sturen onze boothangers snel door. Als we de volgende dag de andere boot spreken blijken zij net als wij door de langsdobberende kinderen gestript; we missen verscheidene hulptouwtjes. Kennelijk een te gewillige prooi.

De Ramadan begint; als we de baai bij Kananga in varen missen we het ontvangstcommitte; geen kinderen in houten kano's, geen volwassenen die hun baby willen laten zien, op zoek zijn naar T-shirts of vragend om vishaakjes. Het is doodstil; alleen de Iman doorbreekt om 17.00 de stilte. We weten het nog niet maar zelfs deze roepende Iman is een "stille". Even later peddelen de vissers in de late schemer,ook, in stilte weg.

We varen door naar Pulau Medang. Zo op het oog een prachtig onbewoond palmeiland; althans dat denken we. Al om 11.00 liggen we voor anker; met de kano verkennen we een stuk van het koraal. Er lijkt weinig te beleven.

Het is een probleem de laatste baaien. Telkens als we voor een dorp liggen, Kananga uitgezonderd, dromt alles om ons heen voor pennen, schriften, boeken, T-shirts en dergelijke. De oorzaak van het gebedel, naast hun armoede, lijkt de jaarlijkse zeilrally door Indonesie te zijn, Sail Indonesia. De deelnemers vertrekken, althans dat staat op de site van een aantal, beladen met pennen, t-shirts, boeken en schriften, zwaar gesponsord door "Australie" naar IndonesiŽ met als enige opdracht deze shirts etc weer uit te delen. Weten die dorpsbewoners veel dat wij niet van Sail Indonesia zijn.

Een groot nadeel van ons vertrek zo vroeg in de ochtend, het is meestal nog maar nauwelijks licht, is dat we absoluut de kleurverschillen op het koraal niet kunnen onderscheiden. Als Klein Duimpje varen we behoedzaam ons elektronisch kruimelspoor van de voorgaande dag op het kaartscherm weer terug. Soms is het kanaaltje hooguit 15 meter breed. Over gps-afwjkingen denken we maar even niet na.  

Er had ons een lampje moeten gaan branden. Vlak aan het strand staat een moskee, de andere zichtbare moskeen staan maar een klein stukje verder op; wij liggen er voor, binnen gehoorsafstand. Om drie uur, een uur nadat we de mooringboei hebben opgepikt, begint de Iman. Als snel volgen de anderen. De geluidinstallatie is matig; het geluid daarentegen hard. Nauwelijks te geloven, het eerste weekend van de Ramadan. Zodra de schemer valt gaan de luidsprekers nog een toontje hoger, op maximum. De hele nacht, tot 03.00 worden koranteksten gereciteerd; in het Arabisch, helaas steken we er weinig van op.

Om 05.00 is het weer tijd voor het gewone gebed; tot 05.30, dan begint de schemer en keert de rust weer terug. Het doet je terug verlangen naar de tijd van de gewone minaret; een iman die naar boven klimt, zijn handen voor zijn mond zet als toeter en net de grenzen van zijn moskeegebied weet te bereiken; gewoon, zonder electronische versterking.

Een wet, voor wat dat waard is in dit 90% islamitisch land, zegt dat na 22.00/23.00 de luidsprekers alleen binnen in de moskee nog maar hoorbaar mogen zijn, zo gezegd, met de deuren dicht. We lopen er langs, maar er gloort weinig hoop. De moskee, evenals zijn iets verderop gelegen soortgenoot, kent slechts pilaren, een dak en een minaret; geen muur te bekennen, laat staan een dichte deur. Het orthodoxe Lombok, de oostelijker gelegen eilanden, Sumbawa, Flores, Timor zijn net zo orthodox, viert de Ramadan uitbundig; ook door de week zwijgt de Iman niet voor 03.00 in de nacht. We slapen met de luiken dicht en met oordopjes. Overdag is het rustig, er moet gewerkt worden.

We laten ons een dagje langs wat hoogtepunten van het eiland rijden. Het is leuk nu het eiland ook eens vanaf de landkant te bekijken. Het rondje is vooral toeristisch. Het eerste stoppunt is het zg. Monkey Forest. Hoewel het principieel onjuist is dieren in het wild te voederen (ze gaan wennen aan de dagelijkse voedingspatronen en leren snel af te jagen en te zoeken), is het met de hand voeren grappig om te doen. De tocht voert verder langs de rijstterrassen, het belangrijkste landbouwgewas op Lombok. Het is op grote delen van het eiland oogsttijd. Veel van de terrassen zijn drooggezet. We zien de rijsthalmen snijden, dorsen en "kaf van koren" scheiden. Grote witte balen rijst liggen overal op de velden en langs de weg. Het is heel interessant de verschillende fases van de rijstbouw zo door de dag heen te zien. Lombok is bekend om z'n keramiek en, zoals veel Indonesische eilanden, zijn kleurrijke weefwerk. We rijden langs een keramiekwerkplaats en een lokale weefgemeenschap. Het eerste is een absolute aanfluiting, alleen bedoeld om zoveel mogelijk geld uit de toeristen te halen; het tweede daarentegen is leuk om te zien. Veel verschillende weeftechnieken in korte tijd geven een aardig beeld van de verschillen. Via een traditioneel Sasak dorp, een hapje aan het strand en een winkel met Wajangpoppen zijn we acht uur later weer terug bij de boot. 

Het valt ons op tijdens onze rondrit, dat bijna iedere moskee in de steigers staat; een nieuwe verdieping, een grotere minaret, mooier tegel en marmerwerk, veel glas en goud, kortom iedere gemeenschap "gaat" ervoor. Onze moslimchauffeur, legt het ons uit. Iedere moskee heeft plaats gebrek, er zijn er te weinig, ze zijn te klein. Sinds een jaar of vijftien, zo vertelt hij, neemt het kindertal onder de strengere Moslims op Lombok, nadrukkelijk toe, van gemiddeld twee een aantal jaren geleden naar vier per gezin nu de regering daar geen beleid meer in heeft. Logisch dat na verloop van tijd de moskee voor al die jonge moslims en moslima's moet worden uitgebreid.Ook gaan er steeds meer moslims bewust naar de moskee en, zeker in de Ramadan, gaan ze zelfs  meerdere malen per dag. De behoefte aan vloerruimte neemt steeds verder toe. Ooit, werkzaam in Gouda, lag de moskee vlak achter mijn kantoor. Alleen op vrijdag, voor het middag gebed zag je wat meer drukte, tijdens de Ramadan wellicht nog iets meer. Nu zien we op ieder uur van de dag de moskee bevolkt worden.  

Indonesische Moslims, de meesten hebben het niet breed, straks zijn het er meer dan de Chinezen met hun 1-kind politiek. Een voordeel heeft het wel, vier kinderen per gezin, een AOW probleem zal hier niet zo snel ontstaan, meer dan voldoende jongeren om de AOW op te brengen; alleen, AOW kennen ze nog niet in dit land waar de kinderen de ouders gewoon nog zelf verzorgen en voeden. AOW een Nederlands begrip van net na de Indonesianisasi; de dekolonisatie en machtsovername.

Net op het moment dat we naar de kant gaan voor onze landtrip houdt de generator er mee op. Zelfs na terugkomst, een aantal uren later, krijg ik er nog steeds geen leven in. We weten het al een tijd maar we hebben een stevig brandstof probleem. Al een aantal weken ben ik in de weer met pompjes en filters om leven in de generator te houden. Waarschijnlijk begint de slechte diesel uit Nieuw Caladonie, Papua Nieuw Guinea en Indonesie ons parten te spelen. Gevoegd bij de laag rommel in de tank die in de loop van de jaren is ontstaan, ligt ons nog een stevige taak te wachten de komende maanden.

Ik maak met een kraan(zodat geen valse lucht kan worden aangezogen) en een T-stuk een bypass via het filter van de hoofdmotor en kan zo de generator weer aan de praat krijgen. Een tijdelijke en kwetsbare oplossing waar we na Maleisie weer vanaf moeten. We hebben dan weer een nieuw hoofdfilter voor de generator uit Nederland mee kunnen nemen en kunnen alles dan weer in oude staat terug brengen. Ondertussen moeten we zien de brandstof tanks via de "aanvoer" van de generator schoon te filteren; immers dat is de leiding die het meeste vuil weet aan te zuigen. 

We regelen toch nog eens diesel; van een autotankstation! zodat de zuiverheid wat waarschijnlijker is. 

Na een week beginnen we weer wat door het verse fruit en groente te raken. Vroeg naar de markt dus; zo'n 3 kilometer lopen. Lopend langs de kant van de weg kom je ineens zaken tegen die ons eerder, tijdens onze rondtrip ontgaan waren. Struikelden we toen over de moskeeen, niet vreemd op een eiland waar veruit de overgrote meerderheid van de bevolking moslim is, vandaag komen we ineens Hindoestaanse tempels en Chinese huizen tegen, wat verscholen tussen de bouwvallige huizen van de islamitische bevolkingsmeerderheid, maar toch. Parels zijn het, een Chinees huis, compleet met pagode dak en keurig gefatsoeneerd voorerf; de Hindoestaanse tempels met sierlijke verfijnde offertempeltjes, afbeeldingen van goden en godinnen en vol offerandes. Een keer komen we een viertal hindoestaanse vrouwen tegen, in ganzenpas, ieder met een schaaltje met offergoederen gereed. Een ander gezicht zo deze schoonheid en verfijning, in het midden van de Moslim wereld.

Zo nu en dan eten we bij het restaurant van Medana Bay, "Warung", een hapje. Een van de keren als we wat hebben uitgekozen gaat Christien naar de keuken om te helpen bij de bereiding/ te kijken hoe eea wordt klaar gemaakt. Vellen met recepten zijn het resultaat. Na afloop krijgt ze de nodige kruiden mee; sommigen zelfs nog met hun wortels in de aarde. Ze waarderen de belangstelling. Als de schemer valt worden we uitgenodigd aan te schuiven bij de wekelijkse "feest"maaltijd na het begin de vasten. Een uitgebreid geheel van hapjes en rijst staat ter beschikking. Het hele personeel van hotel, keuken, marina schuift met familie aan. We vinden het een hele eer er bij te mogen zitten.

Na weer een nacht koranverzen schuiven we in de vroege ochtend een eiland door, 6 mijl verder west; naar Gili Air. Na het orthodox islamitisch Lombok liggen we nu voor het strand van een "westers" duik en snorkeleiland. Veel bloot, nauwelijks bikini en vooral veel happy hour. We zijn dus helemaal weer in onze sas. Eindelijk in korte broek het eiland op; een opluchting. 

Als de nacht valt en de wind gaat liggen horen we hem toch weer; de Iman, vanaf de moskee midden op het eiland.

Lombok naar Bali, een sprong van niets. We lichten in de gebruikelijke ochtendstilte ons anker en verlaten Gili Air. We beginnen voortvarend aan de oversteek. Tussen de eilanden Lombok en Bali staat niet alleen een sterke zuidelijke stroom - een waterval perst zich vanaf Stille oceaan langs de Philipijnen door de Indonesische Archipel richting de Indische Oceaan- maar er ligt ook  een flinke acceleratie zone tussen de twee eilanden vol heuvels en bergen; vergelijkbaar met de zone tussen Tenerife en Gomera. De wind schiet in enkele minuten van 10 knoop naar 35 knoop. Een flinke reefklus rest. Na een uur of 4 is het voorbij, de wind valt weg, maar de tegenstroom, 1-2 knoop blijft. Aan het eind van de ochtend hebben we zoveel tegenstroom dat we onze bestemming niet meer bij daglicht kunnen bereiken. Eerder gelegen ankerplaatsen zijn zo onzeker en onduidelijk dat we het niet aandurven. Er rest maar een ding, doorvaren naar onze volgende bestemming; twee dagen verder op. Op weg naar Pulau Bawean, nog zo'n 250 mijl.

Meteen voor de kust bij Bali komen we ze al tegen; de visvlotten. Eerder boven Lombok en Sumbawa zagen we ze ook al. Een paar bamboestokken als drijver, een stuk palmblad voor de zichtbaarheid en, vermoedelijk, een paar lange vislijnen onderwater. We proberen ze te vermijden maar de zichtbaarheid laat helaas te wensen over. Dagenlang komen we ze bij onze verder tocht noordwaarts tegen; een gevaar tot zo'n 25 mijl van de eilanden.

We kunnen, na Bali gepasseerd te zijn een groot deel zeilen; een geluk dat we tot weken later bij de Riaugroep met ons mee dragen. Het gaat langzaam dooor onze gereduceerde tuigage, maar dankzij de krachtige meestroom richting de Straat van Malakka maken we nog aardige dag gemiddeldes.

Via Pulau Bawean, waar we een paar dagen blijven, varen we door naar Pulau Biliton (Belitung, Bilitun).

Helaas ook op dit traject weer veel visvlotten op onze weg, daarnaast heel veel scheepvaart. Het water dat we varen is druk; naast de vele vissers, vooral ook veel handelsvaart tussen Australie/Nw Zeeland en Singapore (en verder). Dwars daar doorheen de regionale vaart tussen de verschillende Indonesische eilanden. Het heeft veel weg van de Noordzee en het Kanaal; er is ťťn verschil; verlichting is wisselend (als die er al is); AIS maar spaarzaam in gebruik en helaas, regelmatig een vrachtschip of sleper met een sleep, bij nacht, zonder enig licht of iets; we varen met ogen en oren op steeltjes.

In het laatste schemer komen we na drie dagen aan bij het uiterste zuidwest puntje van Belitung. We gaan voor anker in het aardedonkere uur na de laatste schemer en voor de maan opkomt. Het is een goede keus, een nachtje slapen voor we de laatste 35 mijl richting Tandjungpadang varen. We slapen allebei als een blok. We merken niet van elkaar dat we allebei het zwaard naar beneden laten zakken en de schoten/neerhaler aanhalen en losser zetten. Pas als we opstaan blijken we, op de deining uit de oceaan rollen we nogal, beide het zwaard te hebben laten zakken; ja.......het ging nogal moeilijk.

Na het ontwaken, bij het eerste ochtend licht, blijken we ongeveer midden in de oceaan te liggen; heel in de verte zien we nog land. Al dagen, sinds we Bali hebben verlaten varen we boven een zandbak. Eerst van 60 meter, geleidelijk oplopend nu nog slechts 20 meter diep. Regelmatig zien we vissersschepen gewoon midden in de zee voor anker,het rolt en stampt stevig, maar het zij zo. 60.000 jaar geleden, tijdens de laatste grote ijstijd, het water van de zee en oceaan stond tot 150 meter lager, liepen over deze zandvlakte de eerste bewoners van Australie, Melanesie, Polynesie en Indonesie/Nieuw Guinea naar hun toekomstige land. Is het een grote laag rivier sediment, zijn het de gletchers die vanaf Eurazie miljoenen jaren geleden dit bekken hebben gevuld; ik weet het niet.

 

 

 

 

 

 

Tandjungpadang, was ooit een bloeiende havenstad, nu is het slechts een zieltogende haven die met moeite op diepte wordt gehouden. Overal om ons heen sterven de schepen; sommige drijven nog, anderen zijn gaar als gaas, je kijkt er dwars door heen; weer anderen liggen al op hun zij, weggezakt op de zandbanken, wachtend tot wind en tij weer een hap uit het ooit trotse vaartuig hebben genomen. Aan de kant ligt een enkele vrachtvaarder, gereed tot laden en lossen; een karige verbinding met de rest van het land.

Zijn we hier voor zaken?of gewoon op vakantie? Er komen weinig toeristen op het eiland. Iedereen wil ons op weg naar de markt aanspreken; vraagt waar we vandaan komen. We beginnen onze dag op de markt; eindelijk weer wat vers. Gelukkig blijkt de islam hier minder streng. Her en der eettentjes en plekken waar je wat warms kunt meenemen, Chinezen natuurlijk, overal waar handel is drijven ze hun nering, al is het op zondag.

Ik dacht dat het niet meer bestond, "de dansende beer", of eigenlijk de "aap op een stokje". Midden op de markt komt plotseling een muziekgezelschap uit de coulissen, speciaal voor ons? Een handgedreven orgel, wat andere muzikanten en een aapje; lopend, spelend, op een fietsje. Aan het eind van de voorstelling geven we hem wat geld; goed getraind geeft ie het geld keurig aan z'n baas. Kennelijk is het voldoende, hij bijt niet terug. Je zou denken dat het niet meer bestaat, straat voorstellingen zoals deze; dat het is uitgeroeid, de "dansende beer; de aangeklede aap".

Belitung wordt in geen enkele reisgids genoemd, we wisten eigenlijk niet of we er zouden kunnen komen. Het eiland is volstrekt onbekend, hoewel men nu de laatste paar jaar wat moeite doet toerisme te promoten; niet heel kansvol zolang het enige wat Belitung te bieden heeft, bestaat uit een bijzondere Chinese tempel en wat schoon strand. Wij laten ons een van de dagen met een auto met gids/chauffeur rondrijden over het eiland. Hoewel er nauwelijks hoogtepunten zijn, is het toch leuk de binnenkant van het eiland te zien. Tussen de middag slagen we erin zelfs tijdens de Ramadan nog wat Indisch te eten te krijgen.

De Chinese tempel is boeiend; de Chinezen zijn samen met de westerlingen ver in de minderheid; van de bevolking is 95% moslim. Toch slaagt de Chinese gemeenschap erin het tempelcomplex in goede staat te houden. We bezoeken alle tempels en voorhoven vol lampionen, kaarsen, draken en geurende wierookstokjes. Het is indrukwekkend om te zien. Meer dan de rit over Lombok rijden we op Belitung ook door de kleinste dorpjes; op allerlei manieren zien we het dagelijks leven aan ons voor bijtrekken.

Voor het "Hollands"gevoel is Belitung, vooral het eiland van de Biliton. Ooit hier begonnen als Hollandse tin-mijnbouw onderneming, later half Engels (deel van de Shell?) en nog later volledig Australisch. Her en der komen we de Hollandse roots nog tegen, huizen, de Indisch-Hollandse school, gebouwen, het kerkhof, zelfs de woning van de "hoofdadministrateur".

Belitung is behoudens wat licht glooiende heuvels vlak. Het is aan de Biliton (en de latere mijnbouwmaatschappijen) te danken, dat er nu ook nog kleinere heuveltjes liggen. De dagmijnbouw is alleen lonend als je de tin-zand grond af kan voeren en de rest van de rotzooi gewoon laat liggen. Het landschap is compleet omgeploegd, een gruwel. Soms zijn op vlakkere delen van het eiland - of hebben ze die met de shovel gewoon weer glad getrokken?- palmolie plantages verschenen, duizenden hectare palmen, max 10 mtr hoog, in keurige monotone rijtjes. Het blijft lastig, sneuvelde voor de palmolie plantages oorspronkelijk oerwoud dan is dit gruwelijk; leidt het echter tot de aanplant op de voorheen omgeschoffelde mijnbouwgrond, ook duizenden hectare ruineus gebied, dan is het allicht beter dan die ongecontroleerde woesternij. Een ding is zeker, het draagt bij aan de "longen" van de aarde, dat is weer mooi meegenomen.

We treffen zelfs een teakplantage; jong nog, pas hooguit vijf jaar oud. Speciaal aangeplant in nette rijtjes, honderden hectares, groot, FSC hout van de toekomst. Het is goed hier in Indonesie de "djati" weer te zien planten en groeien. Ooit, zeker voor de Nederlandse bosbouwers, een belangrijk stuk werkgelegenheid in "Indie".

Terwijl we over het eiland rijden, valt op dat bij de benzine stations grote rijen auto's en vrachtauto's staan. Indonesie als 4e olieproducerende natie heeft op de eilanden een brandstoftekort, met name diesel wordt veel gebruikt door de palmolieraffinaderijen en de Caterpillars van de mijnbouwbedrijven.

Naast de Malai, de oorsponkelijke bevolking, en de Chinezen, wonen er grote groepen Javanen op het eiland. Ze leven in aparte nieuw aangelegde dorpen waar huizen voor ze klaar staan en land voor ze beschikbaar is gesteld. De gids blijft het antwoord schuldig op de vraag of ze vrijwillig zijn verhuisd. Hij geeft iets aan over betere omstandigheden, eigen bestwil en zo. Eigenlijk kennen we het antwoord wel. In verband met de overbevolking op Java worden hele bevolkingsgroepen gedwongen te verhuizen naar de verder weg gelegen eilanden; ze krijgen daar een huis, land om te bebouwen etc. Dit Transmigratie beleid is officieel 10 jaar geleden gestopt vanwege de grote spanningen met de bestaande bevolking op zo'n eiland, die zich beknot zag in hun mogelijkheden, hun land werd afgepakt en zo. Overigens ook de bosbranden op Kalimantan,Borneo worden vaak ook veroorzaakt door deze transmigranten die hun land bebouwbaar maken.

Midden op het eiland treffen we een groot voetbalstadion in aanbouw (model Arena); op de vraag waarom hier in de kale vlakte zonder een dorp of stad binnen 10 kilometer, iets dergelijks wordt gebouwd is het antwoord simpel. Er moet een nieuwe stad gaan verrijzen voor de nieuwe bewoners die nog gaan komen; IndonesiŽ heeft grote voetbal ambities (laatste WK werd niet gehaald!), het stadion is gewoon het eerste belangrijke project voor de nieuwe stad; dus toch Transmigratie al heet het niet meer zo.

Op zondagmorgen krijgen we plots bezoek van een politieboot met bemanning. Vreemd genoeg heeft niemand een uniform aan of iets wat er op lijkt. De achterkant van de kuip van hun politieboot staat vol met brandstofvaten; wat ongebruikelijk. We ruiken onraad; als ze ons aanspreken vragen we of ze zich kunnen legitimeren. Ze begrijpen het niet en geven aan de boot te willen doorzoeken; neen dus. Vlak voor ze vertrekken vragen ze of we alcohol aan boord hebben; neen dus wederom.

We hebben ze niet meer gezien. Waarschijnlijk waren het vissers of jongens op de werf waar de politieboot ligt. We hebben geen zin in dit soort grappen. De volgende dag maken we ons klaar, na de laatste boodschappen, om door te varen. Twee nachten door naar Lingha, ons zuidelijke startpunt voor twee weken varen door de Riau-groep. De eerste aanloop is T. Jang, een uitstekend puntje in de Linghagroep op weg van Belitung naar het noorden.

De aankomst is goddelijk, hoewel de vele wind en deining wat afbreuk doen. Het lijkt wel een cruiseschip, net na het ontbijt voor anker in een nieuwe baai. Vrijwel de hele tijd vanaf Belitung hebben we kunnen zeilen. De plek is niet ideaal, we rollen naar alle kanten. Toch geen perfecte plek dus. Ik reviseer tussen het rollen de pomp van het roer/zwaard systeem, de vervangende onderdelen zijn een raadsel. Gelukkig blijkt het geheel na afloop weer te werken. Valt weer mee.

De volgende stop, is een plek net boven de evenaar; Kentar, 3 mijl over de evenaar; een bescheiden feestje waardig. Eindelijk weer terug op "ons" halfrond. Na bijna drie en een half jaar varen op het westelijk halfrond en ondertussen drie en een half jaar op het zuidelijk halfrond; nu dan terug na oost (eind augustus 2011), ook terug op noordelijk. De mijlenteller staat inmiddels op 40.000!

De tocht richting de evenaar begint wurgend, stampend op de golven -wind tegen tij- hebben we nauwelijks voortgang. Gelukkig is de hel na een uurtje over en loopt de snelheid langzaam weer op. Het is vreemd, iedereen schreef in het verleden over het ontbreken van wind bij het zeilen door IndonesiŽ. Wij hebben de laatste weken wind in overvloed.

Een paar dagen later bereiken we Senimpan, nog steeds Lingha Eilanden. We hebben de stroom goed mee, als het anker erin gaat hebben we 40 zm afgelegd, pas het laatste uur kenterde de stroom. We blijven er een paar dagen. Op zondag, het is het einde van de Ramadan; Lebaran of Idul Fitri, krijgen we een Afrikaans gevoel over ons. Het is net Senegal, de donkergroene mangrove, de contrastrijke rode heuvels op de achtergrond en vooral de kleurrijke gewaden; het is feest. We liggen in een kreek tussen twee dorpen. De hele dag stuiven de Indonesische longboats langs. Net als de Senegalese piroques bijna vier jaar geleden; afgeladen met het rood, goudgeel, paars en fel blauw van de sierlijke moslim gewaden. Even wanen we ons terug, zelfs de schreeuwende apen ontbreken niet op de eilanden achter ons; even zijn we weer terug in West Afrika; meer dan 7000 zeemijl naar het westen. 

Als we twee dagen later weer ankerop gaan; 30 zm verder, het eiland Pangkil, treffen we het slecht. Ons ankerwaypoint is erg globaal, net op tijd kunnen we een ramp voorkomen; we lopen vast, het zwaard slaat door z'n "zekeringsplaatje" - daar zijn ze voor- en de roer/zwaardpomp is weer terug bij af, voor de revisie -dat was nu weer niet de bedoeling-. Gelukkig weten we het probleem de volgende dag weer tijdelijk te verhelpen.  

We eindigen uiteindelijk de volgende dag in Nginang in de Riau groep, nog maar twintig mijl van Nongsa Marina, ons eindpunt van de Indonesische trip. We blijven er tegen de eerdere plannen in nog een dag langer. Het is een rustige ankerplaats, een van de eerste in weken. 

Zo tegen de eindstreep van onze reis dit jaar wordt het ook weer tijd voor de lijstjes en inventarisaties. Als eerste is de boordapotheek aan de beurt; er volgen er nog meer. 

Halverwege de week gaan we ankerop voor ons laatste Indonesische traject; 20 mijl naar Nongsa Point Marina aan de rand van de Singapore Strait. Het contrast is overweldigend. De wereld van Nginang waar we een paar nachten geankerd lagen; vissers die hun net slepen, staand roeiend volgens de Aziatische manier. De visvallen, de netten tussen stokken, de dorpen op palen waar de tijd heeft stil gestaan. De andere kant van het water, scheepswerven, overslag terreinen, havengebied in aanbouw. Tussendoor razen de snelferries; een wereld van AIS signalen, getoeter en oorteisterend radioverkeer. We hebben stroom mee, onze tijd op weg naar de moderne wereld verloopt snel.

Het geluk is met ons als we de haven van Nongsa Point invaren. Nauwelijks liggen we vast, laat het drie minuten hebben gescheeld, of er stort een gigantische onweer/wind/regen bui over ons. Meer dan een uur stroomt het van de regen en kunnen we de boot niet af. De middag blijft druilerig, pas in de avond wordt het droog en klaart het op; we kunnen de vliegtuigen aan de overkant in Singaparore zien opstijgen en landen. Het is grappig te realiseren dat we terugkomend uit Vietnam, vier en een half jaar geleden vlak over Nongsa Harbour en de Riau eilanden vlogen in de aanloop van Singapore; nu zijn we er zelf.

Regen, onweer druilerigheid blijkt hier aan de Singapore Strait iets van iedere dag; dagelijks betrekt het rond een uur of negen in de ochtend, om pas na 16.00 en de nodige regen en onweersbuien, op te klaren voor avond en nacht.

 

 

 

 

 

De trui voor Owen, het maken van lijstjes met werkzaamheden en materialen die weer mee moeten komen uit Nederland; lijsten met aanvullingen van filters, van bouten en schroefjes, van revisiepakketten en te vervangen spullen; dagelijks zijn we er een aantal uren mee bezig. Je kunt het zo gek niet bedenken of we wegen het af; duimstok, schuifmaat en telraam maken overuren. 

Dan breekt de tijd aan om te gaan oversteken naar Singapore/MaleisiŽ. De laatste diesel brengen we aan boord, we betalen de rekening van de marina en tegen de avond ontvangen we de uitklaringspapieren. We gaan op weg naar MaleisiŽ, Puteri Harbour, een haven, net na de Second Link Bridge, pal tegenover Singapore. Daar brengen we de boot in zijn "winterstand" voor we midden september naar huis vliegen.

Het lijkt een herhaling van onze entree in Nongsa Marina, Indonesie; een kwartier voor we, uitgeklaard en wel, willen vertrekken barst weer een gigantisch onweer los. Ruim een uur zitten we in een massieve bui met veel wind en regen voor het weer wat opklaart en we kunnen vertrekken. De vorige avond nog had Christien tegen de officials gezegd dat als het verschrikkelijk slecht weer zou zijn we wel iets later zouden vertrekken; een scherpe voorspelling.

IndonesiŽ; Meer Foto's


Zie ook het Zeelog voor de eerste impressies en posities die we tijdens de reis al met de HF-zender op de site hebben gezet.

 

 

Op deze pagina rust auteursrecht; gebruik van delen alleen na toestemming van de auteur.