ArgentiniŽ

Rhythm of Life op weg

2008

GambiaAtl. OceaanBraziliŽ/BahiaBraz./BahiakustBraz./OostkustBraz./ ZuidoostRio de la PlataArgentiniŽ

Brazilie, mei/juni 2009

ParanaguŠ
Na 48 uur pikken we een boeitje op bij de jachtclub in ParanaguŠ. Helaas niet bij de club zelf maar bij de dependance. In tegenstelling tot de informatie uit de pilot blijkt de prijs van dit boeitje zonder voorzieningen het viervoudige. Het valt op dat de Iata Jachtclub in BraziliŽ het laatste jaar, ten opzichte van informatie van voorgangers uit de laatste ťťn Š twee jaar, z'n prijzen stevig heeft verhoogd.

Van de 48 uur die we gevaren hebben hebben we 18 uur goed kunnen zeilen. De overige uren hebben we met steun van de zeilen op de motor gevaren. Een zeemanswijsheid zegt dat voor een goede vangst een vrouw op de vishaak moet spuwen. We hebben, na Christien's inspanning om de haak vrouwvriendelijk vangstgeschikt te maken, twee dagen gevist. Helaas zonder succes. We hebben veel scheepvaart onderweg. We varen min of meer op de lijn Santos/Paranagua en Santos/Buenos Aires. 

ParanaguŠ als plaats valt wat tegen. We hadden er meer van verwacht. Hoewel het havenfront met z'n koloniale huizen aardig oogt en ook elders in de stad nog wel een paar mooie koloniale gebouwen te vinden zijn, vinden we de stad toch onvoldoende hebben. Het is natuurlijk diep in de herfst en van toeristen is niets meer te bekennen en dan is deze plaats er toch een net zo als velen. De ligplaats aan het boeitje ver van de jachtclub en de stad draagt daar ook niet echt aan bij. De jachtclub is weinig bijzonders. In ieder geval zijn ze zo in de herfst niet meer op buitenlandse bezoekers ingesteld. Er is niets te beleven, er zijn geen voorzieningen, geen medezeilers en je ligt op de dependance op 10 minuten van de club. We zien af van het plan van hieruit een stuk het binnenland te gaan verkennen. We tanken nog een keer brandstof, 400 liter, zodat we er weer even tegen kunnen.

Paranagua heeft een grote zeehaven waar dagelijks de vrachtvaarders in en uit gaan. We varen tussen de bulkcarriers, de rol-on/rol-off en de container schepen door naar de andere kant van de baai.

We gaan een nachtje voor anker bij Ilha do Papagayo. Een eiland, volgens de Lonely Planet, waar tegen de schemer honderden papegaaien en toekans naar toe komen om te overnachten. Het gebied waar we liggen, aan de rand, is een werelderfgoed. Een beperkt aantal werelderfgoederen zijn geen gebouwen of steden van steen in deze of gene stijl maar zijn natuurgebieden die, op wereldniveau, beschermd worden.

Het gebied is niet toegankelijk, er zijn maar beperkt kaarten van en het is niet beboeidt. Toch lijkt het ons wel leuk om een nacht naast de papegaaien en toekans te liggen. Op basis van een foto die we maken van een zeekaart die we ergens hebben zien hangen varen we er naar toe. Niet eenvoudig maar, voorzichtig varend komen we er. Onderweg ernaar toe kruisen herhaaldelijk 10 -tallen dolfijnen ons pad. In het gebied worden ook veel zoogdieren beschermd, de dolfijnen maken daar gretig gebruik van. Nog nooit hebben we er zoveel, zo vaak voor, naast en achter ons gehad.

We liggen in een rivierdelta met droogvallende platen, eilanden en moerassen. Honderden reigers en andere waadvogels bevolken de platen om ons heen. Alleen van de beloofde papagaaien en toekans zien we er vandaag geen een. Volop aanwezig zijn wel een soort onzichtbare mini insecten die ons helemaal leksteken. We zien er niet uit met vele tientallen grote en kleine knalrode bulten op armen, handen, benen, tenen, gezicht en hals. Het lijkt wel of we de waterpokken hebben. En jeuken dat ze doen!!!!!!!

Het weer gaat veranderen. Tijd om dit gebied te verlaten en een paar honderd mijl zuidelijker te komen voor de wind tegen draait. Jammer, want landschappelijk is deze baai en rivierdelta, die omringd is met lage en middelhoge bergen, zeker de moeite waard. Het toeristentreintje dat hier alleen op zondag doorheen rijdt missen we helaas.

We verlaten de ankerplaats bij Ilha do Papagayo bijtijds. Om ons heen staan de platen nog flink droog zodat we nauwelijks een meter water onder de bodem hebben als we het anker ophalen. Hoewel grote zwermen vogels om ons heen zwerven zien we nog steeds geen toekans en papegaaien. Helaas hebben we felle tegenstroom in de geul naar buiten.

Laguna
We zeilen een flink stuk van de afstand naar Laguna. Een aantal uren zelfs met de Bolle Jan. In de nacht moeten we plotseling uitwijken voor raadselachtige rode lichtjes. Het schip was op de radar of ais niet zichtbaar, verplaatste zich snel in onze richting, lag ondanks bijsturen minutenlang op ramkoers en verdween net zo raadselachtig in de nacht als het gekomen was. Was het een slecht verlichte slepende visser, een ufo of........een hersenspinsel?
De meeste schepen varen hier of met ons mee of van ons af, maar soms heb je een verdwaald exemplaar. Ze kosten veel energie en je bent blij als het stipje op de radar weer netjes van het beeld verdwijnt.
Ter hoogte van Santa Catarina krijgen we een verstekeling aan boord. Een paar uur later is het jonge vogeltje na wat rekoefeningen op de marifoonantenne weer verdwenen.

Na een aardedonkere nacht, krijgen we een prachtige rode zonsopkomst. Jammer genoeg wel het teken dat het weer gaat veranderen. Nadat we een dag nog in korte broek hebben kunnen varen trekken we snel de shirts en de lange broeken aan. Al snel komt er meer kleding bovendeks. Het wordt gewoon koud.

Dan zijn we toe aan de laatste mijlen. Langzaam maar zeker geeft de kust steeds meer van haar geheimen prijs. De havenpieren worden steeds duidelijker en we halen opgelucht adem. We zijn er bijna. Jammer genoeg wakkert de wind het laatste stukje aan tot een 4/5 uit het NO en ontstaan er voor de haveningang behoorlijke golven. Eenmaal de groene vuurtoren aan onze linkerhand (de beboeiing loopt tegengesteld aan die bij ons!) zien we veel dichter naar de rode vuurtoren een groene staakboei staan. Er is maar een piepklein gaatje over. In de pilot staat niets over deze groene staak. Ook de 3 andere Nederlandse boten die hier de afgelopen 2 jaar zijn binnengelopen maken geen melding van deze staak. Is de zandbank zo verschoven dat er alleen maar dit gaatje over is? We durven het niet aan en steken weer terug zee in voor spoedberaad. We proberen contact te krijgen met een lokale visser, de haven autoriteiten of ????????? maar niemand geeft antwoord. Wat is wijsheid, doorvaren tot de volgende haven is geen optie ivm de harde tegenwind die de komende dagen voorspeld wordt, terug naar een haven bij Florinopolis is 80 mijl terug, dat is ook zo zuur. We zien een klein vissersbootje vlakbij de ingang scharrelen. We turen door de verrekijker en zien dat zij inderdaad door het kleine gaatje tussen de groene staak en het rode vuurtorentje op het havenhoofd doorvaren. We besluiten het erop te wagen, alleen varen we de geul nu anders aan zodat we recht op de kleine opening aan sturen. De breedte van de geul valt mee, de branding is onstuimig en met opgetrokken zwaard wagen we het erop. De boot surft van de golven en loopt af en toe bijna uit het roer. Er staat een flinke tegenstroom, we lopen op 2000 toeren nauwelijks 3,5 knoop over de grond. De dieptemeter geeft 4,5 meter aan, we rollen vreselijk op de golven, passeren de staak aan de goede kant en even later varen we veilig in de geul tussen de pieren. Diederique staat te trillen op haar benen van de spanning, blij dat alles goed gegaan is. Op het havenhoofd staat iemand tegen ons te schreeuwen en te zwaaien dat het nu goed gegaan is. Met zijn open pick-up volgt hij onze boot, stapt af en toe even uit en zwaait dan dat we verder rechtdoor kunnen varen. Bij de visserijkade stopt hij en gebaart ons dat we naast een bepaalde visserij boot moeten gaan liggen. Hij gaat naar een van de schepen toe en helpt ons met aanleggen. Het blijkt dat we toevallig gespot zijn door Iacinto Bernardo Tasso, de reder die in de afgelopen jaren ook een aantal van onze voorliggers al geholpen heeft bij hun verblijf in Laguna.

We hebben de goede ingang genomen, hoe vreemd een groene staak vlak bij het rode havenhoofd ook is. Er ligt een bank met stenen/rotsen voor vrijwel de volledige breedte van het havenhoofd. Alleen het "gaatje" is nog veilig.

De visserijkade is een eldorado voor de meeuwen. Een grote groep meeuwen, Kelp Gulls, jaagt achter ons op het visafval dat overboord wordt gegooid. Ze zijn niet alleen, een groep Fregatvogels bemoeit zich er ook mee. Slim als ze zijn jagen ze niet op vis maar op meeuwen. Als de meeuw dan voldoende opgejaagd is laat hij z'n hapje vallen waarna de Fregatvogel het oppikt. Een reiger staat aan de kant te kijken of er ook voor hem wat overblijft. Na de Brown Skua's die we op open zee al hadden en die uren lang met ons mee vlogen, de volgende duidelijke verandering in onze omgeving. Eerder hadden we deze meeuwen nog niet in zulke grote aantallen.

Tussen dit alles in laden de vissers de hele dag hun vangst al uit. Uur na uur gaan kisten vis de koelcel in. De vissers blijven soms tot 20 dagen op zee voor ze de vangst weer aan wal brengen. Een zwaar bestaan met een kleine bemanning in een soort van pijpenla als kajuit.

Een van de nachten voor afgaand aan een depressie die over ons trekt lopen er veel vissersschepen binnen en de ruimte aan de kade is volledig nodig voor het leeghalen van de schepen. Vlak voor ons komt een grote visser liggen. Voor we de boot gaan verleggen naar een rustiger plek aan de kade, heeft hij bij het verleggen van de schepen de motor, koud, nog even aan. Een stevige stoot gas, zonder roetfilter, resulteert, in de regen, in een compleet zwart dek met roetdeeltjes. Twee uur schrobben later is het ergste leed weer geleden.

Er wordt veel vis gevangen door de schepen die lossen. Naast de lange staande netten die onder staken met vlaggetjes hangen is een andere manier die met het kleine bootje. De grote visboot heeft een klein bootje achterop. Dat wordt, als met sonar een school vis is opgespoord, in het watergelaten aan het begin van het net. Daarna vaart de grote boot een rondje rond de school en viert langzaam aan het net uit. Tot hij weer terug is bij het kleine bootje. dan wordt het net weer aan boordgenomen en langzaam dichtgetrokken. Het kleine bootje wordt daarna weer aan boord getakeld en mee genomen.

Na maanden in de tropen is het gewoon koud. Hoewel we op 28 gr zuid zitten, (Canarische Eilanden liggen op de zelfde breedte noord) vallen de temperaturen tegen. De kachel gaat af en toe aan, dekbedden worden opgezocht en de kleding krijgt lange mouwen. Tijd, tussen de regen door, voor nieuwe binnen activiteiten. De bioscoop gaat open. De laptop, kleine geluidsboxjes (geschenk van Moniek) voor het dolby surround effect, een fles cola en een zak popcorn. We hebben ca 400 films bij ons en kunnen dagelijks een passende keuze maken.

In de lagune van Laguna (waar anders komt de naam vandaan) speelt zich al jaren een apart fenomeen af. Een groep van circa 40 Bottlenose Dolphins zwemt op en neer in de riviermonding en jaagt op vis. Langs de kant van het water staan tientallen mannen, in open bootjes, op pieren, gewoon tot hun middel in het water, klaar met werpnetten. Als de dolfijnen zich dan voor hun neus vertonen en de vis opjagen dan werpen ze de netten uit over het water en halen zo hun maaltje vis binnen. Het gaat al jaren zo. Kennelijk loont het. De visser en de dolfijn; allebei hebben ze hun vis.

De lagune stroom dagelijks met grote kracht leeg richting de oceaan. Op de krachtige stroom worden hele eilanden van planten meegevoerd. Soms loopt een eiland vast tegen ons en liggen we een paar uur in een oase van groen.

De komende 500 mijl zijn berucht. Veel van onze voorgangers zijn op dit stuk verrast door harde zuidwesten winden, tot 50 knoop en hebben soms zelfs aanmerkelijke schade opgelopen. Het weergat, 3 dagen geen wind of wind uit Noordwest tot Oost, dat we nodig hebben voor de volgende etappe vertoont zich nog niet op de weerkaartjes.

Het weer is wisselvallig. We nemen de kans waar als het een paar uur droog en zonnig is om het historisch centrum van Laguna te verkennen. Her en der komen we standbeelden, plaquettes, gedenkstenen en musea tegen. De centrale figuur is Anita Garibaldi. 

Mar Grosso; eigenlijk is het helemaal niets. In de zon lopen we een van de dagen maar eens naar het strand, Mar Grosso. Het is ruim buiten het seizoen. Er is niets, maar dan ook echt helemaal niets, te beleven. De winkels zijn dicht, de dameskappers ontruimt, de kledingzaken dicht geplakt, de crÍperie gesloten. Alleen de slotenmaker doet nog goede zaken. Overal zitten hangsloten en kettingen op. Met moeite vinden we een bakker die ons nog een lekker taartje en een kopje koffie serveert. Alleen de makelaars, verhuur en verkoop, zijn nog open. Klaar om een klant te ontvangen. Tegen beter weten in lijkt het. De enige beweging komt van de bus. Ieder kwartier rijdt die braaf zijn rondje langs de hotels, leeg. Kennelijk is zijn schema nog niet aangepast.

Af en toe waait het hard in de haven. Met 23 tot 30 knoop in de haven liggen we als voorste boot te steigeren als een jong paard. Af en toe breekt ie uit; een gebroken landvast als gevolg.
We lopen kort voor de wind weer eens toeneemt naar Laguna. Straks moeten we een klein metalen stangetje hebben om een deel van de generator los te kunnen krijgen. Alle ijzerwaren/ tuinartikelen/ bouwmaterialen winkels onderweg brengen we een bezoekje. Helaas heeft niemand ons stokje. Bij een van de winkels treffen we een enthousiaste braziliaan die ons uitlegt waar we nog meer kunnen kijken. Hij vraagt waar we vandaan komen. Als we antwoorden, "Ollanda" dan komt hij met een paar kleine delfsblauwe klompjes aan, gekregen van een vriend.

Even dient zich een klein weergat aan. Te klein om door te varen. We gebruiken de tijd voor een kort binnenlands verblijf. We proberen een wegenkaart te bemachtigen maar waar we ook vragen, niemand heeft of kent een wegenkaart. We rijden 180 kilometer zuidwaarts over de wat saaie, lieflijk kronkelende weg naar de nationale parken in Serra Geral, op de grens van Santa Catharina en Rio Grande do Sul.

We hebben een klein kaartje in de Lonely Planet. Na verloop van tijd nemen we de weg die het gebergte in leidt. Onmiddellijk buiten het dorp is het afgelopen met het asfalt. We volgen een bordje naar Cambara do Sul (ca 45 km) en rijden een steenslagweg op. De weg klimt een beetje en we komen bananen plantages, palmen en kleine veeboerderijen tegen. Geleidelijk neemt het aantal draden in de elektriciteitspalen naast de weg af en wordt de weg smaller en hobbeliger. Regelmatig slaat er met een knal een steentje tegen de bodem van de auto. Na een kilometer of 15 stopt de weg. De brug is weg geslagen en wordt net hersteld. Via een noodbrug van wat balken kunnen we door de bedding van de beek weer verder. Inmiddels zijn we op een bospad en moeten we slingerend onze weg vinden tussen de rotsblokken, grasrillen en struiken. Dan zien we na een tijdje weer een huis. Het laatste elektradraadje verdwijnt van de paal. Er begint wat twijfel te ontstaan. De man die we aanspreken bevestigd onze twijfel. We zijn verkeerd. We kunnen de 20 kilometer weer terugrijden. Het is inmiddels 16.00 uur, onze snelheid ligt rond de 30 kilometer per uur, hoe komen we nog voor donker op onze bestemming? We rijden terug en vinden vlak voor de plaats waar de asfaltweg eindigde een andere steenslagweg. Er wordt hard gewerkt aan de weg en de steentjes vliegen ons om de oren. Bonkend, gaten in de weg omzeilend, vinden we onze weg naar boven. Het schemert als we het Nationaal Park inrijden. Voor de zekerheid vragen we de weg. We zitten nog goed. In het laatste avondlicht rijden we over de hoogvlakte. Tot twee keer toe schiet een vos voor ons weg de berm in. Afwisselend in de eerste en tweede versnelling bonken we verder. Af en toe verspert een rund onze weg. Er rest dan niets anders dan geduldig wachten. Na bijna een uur rijden in het donker komen we aan in Cambaro. Er is gelukkig nog plaats in de herberg. Na het inschrijven gaan we snel nog wat eten. Het is koud buiten, tegen het vriespunt.

Gelukkig is het pastabuffet warm. De rest van het restaurant is koud, steenkoud. We zijn de enige gasten. De haard wordt aangemaakt. Heel geleidelijk geeft ie wat warmte. We komen een nieuw fenomeen tegen. Die avond, maar ook de volgende dagen is er nauwelijks verwarming en iedereen loopt de hele dag met z'n jas aan. Bij het ontbijt, bij de lunch, in het restaurant, overal houden ze hun jas aan (en muts, handschoenen, shawl).

Het is die nacht koud. Met drie dekens en een elektrisch kacheltje kruipen we in bed en lezen nog wat. De volgende ochtend staan we bijtijds op en gaan na een heerlijk ontbijt met warme hapjes, vele soorten cake en warme Pinhao (supergrote pijnboomzaden met de smaak van een bruine boon), we doen er maar jam op, weer op stap.

Eerst nog maar eens terug naar het National Parc waar we in het donker door heen zijn gereden. Het landschap in deze omgeving is mede bekend door de Araucariabossen. Bomen die we in eigen huis kennen als "slangenboom" en als "kamerden". Het hout is bekend (en gewaardeerd) als "Parana Pine". De fraaie kandelaarvormige kronen sieren het landschap. Bij het binnenrijden van het gebied struikelen we over een kudde runderen. Zo'n 50 stuks komen ineens op onze weg, begeleid door drie gaucho's te paard met zweep en lasso. De hoogvlakte is kaal en leeg. Her en der ligt een waterpartij op een plaats waar het water zich verzameld en niet weg kan lopen. Boven ons vliegen de White Tailed Hawks af en aan. We draaien na verloop van tijd om en rijden de weg weer terug. In Cambara eindelijk weer een asfalt weg. De mooiste weg over de hoogvlakte, het begin van de Campo do Sul loopt vanaf Cambaro zuidwaarts. We rijden de weg zo'n 100 kilometer af tot Gramado, midden in de Serra Gaucho. De weg slingert tussen de graslanden door. Her en der staan kuddes runderen en zijn gaucho's bezig ze bijeen te drijven. Eigenlijk vinden we de weg te zoetsappig mooi en liefelijk, zeker als we aan het eind ook nog tol blijken te moeten betalen.

Onderweg zien we bij een wegrestaurant voor het eerst een wegenkaart van dit gebied geschilderd op een informatie bord. Wat we al vreesden blijkt waar. De enige manier om via een asfaltweg uit het gebied weg te komen is een omweg van circa 300 kilometer; zo niet dan moeten we via de koeien paden en steenslag wegen het gebied ook weer uit.
We rijden terug naar Cambaro. Helaas is onze kamer al weer verhuurd. We krijgen nu een kamer met krakend bed, dunnere dekens, wc op de gang en vlak langs de straat. Het is zo mogelijk nog kouder. Die avond eten we een eenvoudige pizza. Iets verderop zitten twee mensen aan de kaasfondue, met hun winterjas aan en een dikke muts op; geen handschoenen, dat eet zo lastig.
De volgende ochtend kijkt Christien vanuit haar bed zo naar buiten, dwars door de muur heen. De enkele wanden van het huis (idee bouwkeet) zijn wat uit elkaar gescheurd.

We rijden terug, via weer een Nationaal Park. Het is opvallend hoe tot op de grens van het beschermd gebied honderden hectaren Aracariabos en dennenbos zijn geveld in de laatste jaren. We rijden door kilometers grote kapvlaktes waar duidelijk de laatste 5 jaar nog grootschalig is gekapt. Nergens is nog sprake van nieuwe aanplant of natuurlijke uitzaaiing. Herstel van deze bossen,wederom onderdeel van het Mata Atlantica, zal zeker 100 jaar, zo niet langer vergen. Ook hier is de weg weer bezaait met keien afgewisseld met water/modderpoelen en bruggetjes die bestaan uit twee lange balken, wat dwars bielzen en twee planken waar de wielen overheen moeten. Regelmatig moeten we wachten voor een vrachtwagen met boomstukken.
Het is een vreemd contrast te zien hoe tot op de grens van het National Parc grootschalige ontbossing plaats vindt van het oerbos. Je vraagt je bijna af hoe het te rijmen is met verantwoordelijkheid als land, zeker BraziliŽ met z'n oerwouden, voor de mondiale milieu bijdrage.

We rijden verder richting Laguna. Net buiten Cambaro houdt het asfalt al weer op. We rijden meteen weer in een stuivende steenbedding. Met een slakkegang rijden we, gaten en keien omzeilend onze weg. Af en toe komen we een vrachtauto tegen. Gelukkig treffen we op deze weg een aantal grote vlaktes met jonge aanplant, hectaren achter elkaar staan rijtjes dennen en eucalyptus aangeplant. Na twee uur kunnen we de hoogvlakte af. Wederom via een steen/gruis en stof weg. Voor het eerst zien we vanaf het dalende pad de ravijnen achter ons waar deze hoogvlakte zo bekend door is. In de loop van de middag staan we weer op zee niveau, de Southern Lapwing die we de laatste weken overal in de natte graslanden langs de kust zien staat weer klaar.
Als we weer bij de boot zijn wassen we de auto maar even. De auto zit tot onder de motorkap onder het stof, zand, modder en vogelpoep.

We zitten in een sterk Italiaans gedomineerd gebied. Ons verblijf in Laguna en onze reis naar de Serra Geral geven de gelegenheid weer een stukje, ons onbekende, geschiedenis te ontrafelen. De afgelopen maanden in BraziliŽ hebben we ons verbaasd over de grote emigratiegolf van Duits sprekende en Italiaans sprekende Europeanen in de 1e helft 19e eeuw. Geleidelijk komen we er achter wat de achtergrond daarvan is geweest. Begin 19e eeuw was Zuid Amerika verdeeld in een Portugees deel (nu Brazilie) en een Spaans gedeelte. De Portugezen voelden begin 19e eeuw de noodzaak van het vormen van een buffer tegen de oprukkende Spaanse invloed in het zuiden. Feitelijk vanuit Paraguay, Argentinie en Uruguay. Het probleem was daarbij dat de Portugezen welles waar heel BraziliŽ bezaten, maar in feite alleen echt behoorlijk aanwezig waren in het mildere en warmere kustgebied van Sao Paulo in het zuiden tot Belem in het noorden. De binnenlanden, grotendeels onontgonnen, zaten vol indianen. Daar was invloed toch van weinig waarde. Daarbij kwam dat de missionarissen, met name JezuÔten, daar al zorgde voor voldoende invloed. Franciscanen werkten met name in de kuststaten.

De weinig bevolkte zuidelijke staten, Rio Grande do Sul, Santa Catharina en Parana vormden in de praktijk een niemandsland dat wel geclaimd werd door de Portugezen maar feitelijk niet echt werd beheerst en gecontroleerd. De achterdeur stond als het ware open voor de Spaans sprekende invloed.
De oplossing was simpel, trek uit Europa zoveel mogelijk mensen naar die zuidelijke staten. De enige voorwaarde was dat ze in ieder geval geen Spaans mochten spreken. Portugezen lagen niet erg voor de hand, daar waren er niet genoeg van en bovendien wie wel wilde komen was meer dan welkom voor de opbouw en beheersing van het noorden. In de praktijk leverde dit een gestage stroom emigranten op, soms met hele dorpen tegelijk, uit de Duits en Italiaans sprekende landen. Emigranten die, zoals we al eerder ontdekten hun cultuur meebrachten en degelijk vasthielden.

In ťťn ding hebben de Portugezen zich vergist. De binding met de cultuur ging in de drie zuidelijke staten zover dat met name de Italiaanse bevolking, in 1839 een zelfstandige republiek uitriep. Het kwaad kwam van binnen uit. ItaliŽ sprak dit initiatief wel aan. Rijk aan zeevaarders maar arm aan koloniŽn zag de Italiaanse regering wel brood in deze republiek. Een Italiaanse kolonie naast de Spaanse, Engelse, Franse, Portugese en Hollandse koloniŽn in Zuidelijk Amerika. De bestuurders van de nieuwe republiek kregen een ruime Italiaanse steun. Een 20 jaar lange burgeroorlog ( Guerra dos Farrapos), gemengd met wat buitenlandse oorlogen tegen onder andere Paraguay, volgden. Uiteindelijk slaagden de Portugese regeringstroepen erin de republiek de nek om te draaien. De Italiaanse invloed is nog steeds sterk aanwezig. Men spreekt het; eet het; gedraagt zich ernaar; kleedt zich Italiaans en draagt vooral de Italiaanse trots nog steeds uit. Hoewel de republiek dood is, is de link met ItaliŽ nog steeds nadrukkelijk aanwezig.
In Laguna lopen we een van de dagen door het Museum Anita Garibaldi. Het geboortehuis van de vrouw, Anita, van ťťn van de leiders van de revolutie van 1839. In dit huis riepen de drie zuidelijke staten de staat Republica Juliana Catarinense uit. Een sterk Italiaanse georiŽnteerde staat. De leiding van de revolutionaire beweging lag bij een groep Italianen, onder aanvoering van de van oorsprong Italiaanse Garibaldi. Hier rondom Laguna, in de moerassen en lagunes, is veel strijd geleverd door de revolutionairen in hun acties tegen de regeringstroepen.
In Laguna herinnert nog veel aan deze strijd en vooral aan de "heldin" Anita Garibaldi. Zij, de uit Laguna afkomstige vrouw van Garibaldi, heeft een belangrijke rol gespeeld in de beweging. Op talloze plaquettes, standbeelden en dergelijke wordt ze geŽerd als heldin. Bijzonder aan de plaquettes is dat er veel zijn van recente datum, maximaal 20 jaar oud, waarop door de besturen van de zuidelijke staten en zelfs door het gemeentebestuur van Palermo in lovende woorden de herinnering aan de Garibaldi's en aan de Republica Juliana levend wordt gehouden.

Stil droomt men in deze staten nog steeds over de Republiek Juliana Catharinense als Italiaanse kolonie. Nergens in BraziliŽ kwamen we tegen dat lokale produkten (wijn, jam, vruchten, tomatengerechten, pasta, olijven en olijfolie) aangeboden werden als "Colonial" producten.
Een voordeel heeft deze Italian Connection in ieder geval; De winkels zijn ruim voorzien van pasta's, pizza's, pomodori en Italiaanse Keukenkruiden.

Na een dag foerageren zijn we klaar voor de trip zuidwaarts. Ruin 300 mijl langs een weinig afwisselende duinenkust. Het weergat wat we willen benutten lijkt net aan groot genoeg. We gokken op een spoedige draaiende wind de eerste dag en een lichte naar oost draaiende wind de derde dag. Het gebied is bekend om z'n wispelturige karakter en winden die standaard 1 a 2 beaufort boven de voorspelling liggen. Alles aan boord is extra goed vastgesnoerd.

Rio Grande do Sul
We vertrekken met een matige tegenwind, de haven uitgang is ondanks de zuidelijke wind, woelig en onstuimig. Gelukkig draait na Cabo Santa Martha de wind gunstiger zodat we al snel kunnen motorzeilen. Na verloop van tijd kan de motor zelfs uit. Pas 24 uur later valt de wind weer weg om kort daarna, stevig tegen te draaien. In de nacht hebben we weer eens iets bijzonders. Terwijl Christien uit bed komt en Diederique voor zij gaat slapen nog ťťn keer rond kijkt zakt de snelheid van de boot plotseling naar niets. We hebben geen klap gehoord maar liggen plotseling compleet stil. Gelukkig is het zwaard volledig opgehaald. Als we het roer ophalen krijgen we weer snelheid. Een visnet? een lijn? een groot stuk plastic? een slapende walvis? Het zal altijd een raadsel blijven. Ons ophaalbaar roer en zwaard heeft ons echter weer behoed voor veel narigheid.
De laatste dag is er een van stevig hakken tegen de wind. Voortdurend pikken we "paaltjes" in het ondiepe water van de strook, 25 mijl voor de kust. Om 14.30, na 2,5 dag varen bereiken we de havenhoofden van Rio Grande.

Twee uur later liggen we aan de steiger bij het Oceanografisch Museum. We komen terecht in een internationale gemeenschap van noordwaarts en zuidwaarts trekkende boten (Argentijns, Italiaans, Frans). Als we een paar uur later welkom worden geheten door Lauro Barcello, de enthousiaste directeur van het Museum, ontstaat een veeltalige omelet als ook het Portugees, Duits en Engels op de steiger klinken.
Aan het museum is ook een opvang centrum voor "ontredderde dieren" verbonden. We maken kennis met onze eerste Magallenic Penguin en ons eerste zuidelijke  Zeeleeuw. Tot onze verrassing komen we in de "gracht" rondom het museum ineens 4 roodwangschildpadden tegen. 

Overdag is het met een graad of 16/18 nog lekker in de zon; 's avonds en 's nachts is het een graad of 6 zodat we de kachel aan het begin en het eind van de dag inmiddels een aantal uren aan hebben. In de warme uurtjes midden op de dag genieten we van de mooie koloniale gebouwen en parken in het centrum.

Eind van de week breekt weer een gunstig weergat met noordenwinden aan. We maken een rondje langs de Policia Federal, Receita Federal, Agencia National; de Vigilancia en de Capitania dos Portes. Na een ochtend rijden met de taxi, hebben we alle uitreispapieren in orde. Als in de loop van het weekend de wind gaat draaien kunnen we vertrekken.

De avond voor vertrek hebben we Lauro Barcellos, de directeur van het Oceanografisch museum, op bezoek. Een gedreven en vooral inspirerend man die ons verteld over zijn verschillende projecten. Naast z'n verantwoordelijkheid voor het oceanografisch museum en instituut, met studenten, onderzoek, publicaties en alles wat daarbij komt kijken, is hij een expert op het gebied van het redden en weer opknappen van zeedieren (Lennie 't Hart, Pieterburen is een aantal jaren geleden bij hem geweest en hij heeft Pieterburen bezocht); is hij gedreven door het opknappen en restaureren van oude schepen (ook daarvoor heeft hij een museum waar hij verantwoordelijk voor is); is hij een regelmatige Antarctica onderzoeker; is hij verantwoordelijk voor een ecologisch museum waar vanuit hij ondermeer onderzoek doet en zorg draagt voor herstel van ecologische waarden in de omgeving van Rio Grande. Zijn grootste project, als mens, waar hij verantwoordelijk voor is, is een school voor kansarme jongeren tussen 15 en 17 jaar die hij ( en met name zijn begeleidende staf aldaar) technische, huishoudelijke en sociale vaardigheden (van botenbouw tot koken) meegeeft zodat ze zich na een jaar school kunnen handhaven in de samenleving en werk kunnen vinden en niet terechtkomen in een meer duistere wereld. Een inspirerend verteller en gedreven workaholic; dat wel.

Na vertrek kunnen we al snel op de Bolle Jan naar het zuiden. De noordooster van 6/7 beaufort geeft ons een lekkere snelheid. Samen met ons vertrekken Argentijnse vrienden. Zij blijven op een mijl of drie buiten de kust en lopen zo de tegenstroom mis. Ze winnen er 5 uur mee tegen de tijd dat we in La Paloma, Uruguay zijn.

BraziliŽ/ Zuidoostkust; Meer Foto's
Zie ook het Zeelog voor de eerste impressies en posities die we tijdens de reis al met de HF-zender op de site hebben gezet.

Op deze pagina rust auteursrecht; gebruik van delen alleen na toestemming van de auteur.